john verhoeven content strategie

Religie verdient centrale plaats in het Nederlandse armoedebeleid (analyse)

Juni 2008, onzeWereld

John Verhoeven

Hulporganisaties en de overheid maken te weinig gebruik van religieuze hulpsystemen in ontwikkelingslanden. Terwijl die toch diep in de lokale gemeenschappen geworteld zijn.

‘Religie is miskend in denken over ontwikkeling’, stond er een paar weken geleden boven een interview in Trouw met Gerrie ter Haar, die al tien jaar de leerstoel Religie en Ontwikkeling bezet aan een kennisinstelling in Den Haag.

Religie kan, in Ter Haars ogen, een enorme kracht voor ontwikkeling zijn, een kracht die niemand mag uitsluiten die serieus met armoedebestrijding bezig is. Ze wijst naar de enorme opkomst van de charismatische kerken die als paddenstoelen uit de grond schieten en in grote delen van Latijns-Amerika en Afrika miljoenen mensen weten te raken. Deze kerken geven mensen het gevoel dat ze hun eigen leven kunnen vormen. Dat is in veel arme landen een doorbraak die haaks staat op traditionele opvattingen van lotsbestemming.

Religie als inspiratiebron

De godsdienstwetenschapper heeft natuurlijk gelijk.
Toch is haar visie, na tien jaar leerstoel, nog geen centraal element in onze nationale aanpak. Hulporganisaties zijn praktisch, ze willen problemen oplossen. En de rapportage moet kloppen, anders blijft het geld uit. De lokale hulpverleners met wie ze werken, zijn meestal diep religieus en vaak is dat hun belangrijkste inspiratiebron voor werk en leven.

Toch gebeurt daar erg weinig mee. En dat terwijl de oude religieuze hulpsystemen van paters, nonnen, zendelingen en lokale kerken al vele decennia bloeien – vaak tegen alle verdrukking in. Lang werd gedacht dat deze vorm van hulp wel zou worden vervangen door moderne professionele organisaties met goed opgeleide mensen. Maar dat is niet zo.

Religieuze hulpsystemen blijken duurzamer dan andere. De banden van de religie zijn sterker dan die van de rede. De groei van de charismatische kerken bewijst het.

‘Mijn antwoord op de vaak gestelde vraag “Mr. Kapuscinski, do you believe in God?” zal een enorme invloed hebben op alles wat er vervolgens gebeurt’, schrijft de Poolse journalist in zijn boek De Ander, waarin hij onze relatie tot de medemens in arme landen probeert te ontleden. Deze relatie wordt volgens Kapuscinski bepaald door drie elementen: ras, nationaliteit en godsdienst. Op ras en nationaliteit hebben hulporganisaties geen invloed. Op godsdienst wel.

Kerken werken effectiever dan ngo’s

Ik ben er zeker van dat je op dit vlak sterke en duurzame verbindingen kunt leggen die voor betere resultaten zorgen dan het op ‘meten is weten’ gestoelde ontwikkelingsdenken.

Ook de overheid zou bij de keuze van partners dit aspect zwaarder kunnen laten wegen. Religieuze systemen ter plekke zijn efficiënter en goedkoper dan hulpstructuren die naar ons eigen Westerse model zijn gevormd. Kerken werken met vrijwilligers en priesters die geen hoge salarissen of carrières najagen. In de charismatische kerken hebben vrouwen bovendien een veel grotere rol dan in de traditionele. Je versterkt lokaal gewortelde structuren in plaats van moderne clubs te spekken die naar ons evenbeeld en vaak met ‘onze centen’ zijn gevormd. Ze hebben bovendien een nuttig ventiel: wie op spiritueel vlak aansluit bij lokale structuren, doet dat op basis van gelijkheid.

Dat kweekt bescheidenheid, duurzame binding en wederkerigheid; drie elementen die het huidige ontwikkelingsdenken vaak node mist.


This work is licensed under CC BY-NC-SA 4.0