john verhoeven content strategie

De verzamelde Redactioneeltjes (2001-2010)


Vooraf

Van november 2001, twee maanden na de aanslag op de Twin Towers, tot medio 2010, het einde van mijn dienstverband en tegen het einde van OnzeWereld als journalistieke titel, schreef ik tien keer per jaar een kort ‘Redactioneel’ op pagina 3 van elke nieuwe editie. Deze ‘Redactioneeltjes’ waren bedoeld als inleiding bij het papieren magazine en verklaarden de keuzes die de redactie had gemaakt bij het samenstellen van het nummer. Tegelijk stipten we daarin, kort en soms uitdagend, onze kijk aan op allerlei trends en discussies van dat moment.
Op advies van een bevriende hoogleraar Sociologie heb ik ze hier allemaal bijeen gebracht. Omdat ze, samen, een onafhankelijk journalistieke thermometer zijn van de discussies, thema’s en dilemma’s die de wereld van ontwikkelingssamenwerking in dit decennium hebben beheerst. En die daarom mogelijk interessant kunnen zijn voor studie of onderzoek.

John Verhoeven, 2026

==================

November 2001

Na ‘nine-eleven

Alles is anders na 11 september. De antiglobaliseringsbeweging, die in de maanden voordien nog stevig de wind in de rug had, is vrijwel ‘ondergronds’ gegaan. Bijeenkomsten werden afgelast, al geplande acties zijn stilletjes omgevormd tot vredesdemonstraties tegen de ‘war against terror’. Een oorlog die, geheel in de geest van George Orwells ‘newspeak’, zelf meer terreur zaait dan de ’terror’ die hij zegt te bestrijden. De strijd tegen globalisering was al synoniem geworden met het gevecht tegen de dominantie van de enige echte politieke en economische wereldmacht: de Verenigde Staten. Maar voor demonstraties tegen de VS – dat gemakkelijke symbool van ‘roofdierkapitalisme’ en onderdrukking – is het nu even niet het goede moment.

Misschien maar beter ook. Het werd sowieso tijd dat de term ‘antiglobalisering’ ten grave werd gedragen. Zeker nu klinkt het woord als iets uit een vorig tijdperk. Globalisering hoeft op zichzelf niet slecht te zijn, het gaat erom ervoor te zorgen dat er voor iedereen een plekje onder die ene zon is. Zoals de Britse minister voor Internationale Samenwerking Clare Short al zei: ’tegen globalisering zijn is net zoiets als tegen de zonsopgang zijn’.

Niemand weet hoe het verder zal gaan. Maar aan meningen, verwachtingen en oplossingen geen gebrek. Op vrijwel elke pagina van deze OnzeWereld is wel een nagalm van ‘nine-eleven’ te horen. Dat zal voorlopig wel zo blijven, want de aanslagen hebben de wereld een stuk kleiner gemaakt. Een volk dat haar recht op zelfbeschikking wordt onthouden, of een land dat haar burgers elke menswaardigheid ontneemt, is vanaf nu een potentieel gevaar voor de veiligheid in de rest van de wereld. En een natie die haar suprematie gebruikt om andere landen in hun ontwikkeling te fnuiken, is niet langer alleen maar een bully, maar zet ook de veiligheid van haar eigen burgers op het spel.

Hierbij vergeleken vallen de interne verandering bij OnzeWereld in het niet. Ik noem deze toch maar even: vanaf nu heeft dit maandblad een nieuwe hoofdredacteur


December 2001/Januari 2002

Zachte waarden

Het zijn bijzondere tijden. Sinds september zijn het verschijnsel terrorisme en de vraag wat er aan te doen is, vast onderdeel van het debat over de vraag waar het met deze wereld naartoe moet. Daarbij gaat het nu eens ook over het belang van een eerlijke verdeling van de welvaart, over toegang voor iedereen tot onderwijs en gezondheidszorg, over goed openbaar bestuur en over het recht van elk individu op een menswaardig bestaan.

Bijzonder? Zeker, want juist deze ‘zachte’ waarden kwamen tot voor kort nauwelijks aan bod in de kringen van leiders die zich nu buigen over een nieuwe wereldorde. Ineens draait globalisering niet meer voornamelijk om het opengooien van de hele wereld als marktplaats voor – vooral westerse – multinationals. Nu gaat het over de wereld als samenleving, als sociaal netwerk waarin bijvoorbeeld een gapende kloof tussen haves en have-nots even bedreigend is voor stabiliteit en welvaart als een economische recessie.

Zo wordt nu ook met andere ogen gekeken naar het Midden-Oosten, niet met een geopolitieke blik, maar vanuit een humane optiek: hoe lang kan een volk nog worden vernederd en van haar rechten en ambities worden beroofd in eigen land? Pas nu lijkt het door te dringen dat deplorabele omstandigheden een kweekvijver zijn voor misschien wel duizend Bin Ladens.

Wat kunnen we doen? Het gaat, zoals de Britse ex-minister Frank Judd het in The New Statesman verwoordde, om ‘stabiliteit en ontwikkeling als eerste vereiste’. ‘Want uiteindelijk is het zo’, zegt hij, ‘dat we nu de resultaten oogsten van ons korte-termijnopportunisme en verwaarlozing. Rechtvaardigheid en de zoektocht naar duurzame vrede eisen dat we het in de toekomst beter moeten doen.’

Het zijn inzichten waar een groot aantal maatschappelijke organisaties dagelijks handen en voeten aan geven, iets waarvoor ze opeens veel steun uit kringen van politiek en economie krijgen. Dezelfde inzichten, overigens, waaraan ook OnzeWereld een stem geeft. Het is een groot pluspunt dat deze standpunten nu ineens worden gerekend tot de kern van de oplossing. Met dank aan Bin Laden. Bijzondere tijden, zeg dat wel.


Februari 2002

De roep van Pim Fortuyn

Globalisering kan niet zomaar worden teruggedraaid wanneer het even tegenzit, als er dingen gebeuren die ons niet zinnen. Daarvoor is het proces te autonoom: de internationale handel en communicatie, het verkeer van mensen over grenzen heen, internet. Dat zorgt ervoor dat de heldere wereld van – zeg – vóór 1989, van die vertrouwde economische en politieke machtsblokken, echt achter ons ligt.

Toch worden er nu nieuwe vraagtekens gezet bij de globalisering. Sommigen zouden die open markten en grenzen wel weer willen dichten, om mensen en verschijnselen buiten de deur te houden die we hier liever niet zien. De nieuwe vraagtekens achter de globalisering worden vooral gezet uit angst. Angst voor verlies van de ‘eigenheid’, angst voor de wraak van de uitgeslotenen. De vraagtekens duiken nu overal op, in het internationale maatschappelijke debat, maar ook op het binnenlandse politieke podium. Daar wordt de discussie inmiddels volledig beheerst door Leefbaar Nederland en voorman Pim Fortuyn. Op hoge golven van publieke boosheid – broertje van die angst – koerst hij af op een overwinning tijdens de Kamerverkiezingen.

Fortuyn wil het aantal immigranten beperken. Eigenlijk gaat het hem om iets fundamentelers: de herwaardering van de Nederlandse identiteit. Op zichzelf is er niets mis met zo’n debat. Juist in een geglobaliseerde wereld is het belangrijk te weten waar je eigen samenleving echt voor staat, wat haar kernwaarden zijn. Wel erg jammer als zo’n discussie wordt aangejaagd door gevoelens van boosheid en angst. Want dat zijn, zoals we weten, slechte raadgevers.

Als we angst en boosheid eens zouden vervangen door geloof in eigen kracht en zelfkritiek, zou ons identiteitsdebat over heel andere dingen kunnen gaan. Bijvoorbeeld over het feit dat we zelf óók fundamentalisten zijn: ‘geld-fundamentalisten’ dan, wel te verstaan.

Trendwatchers verwachten dat we ons massaal gaan afwenden van een samenleving waarin alle kwaliteit van leven louter in financiële termen wordt gemeten en beoordeeld. In een debat over onze maatschappelijke identiteit zou dat al een stuk constructiever en prettiger klinken dan de angstige roep van Pim Fortuyn.


Maart 2002

World Economic Forum

Op het World Economic Forum in New York kwamen vorige maand duizenden vertegenwoordigers bijeen van wat ik nu maar even het wereld-establishment noem: politici van naam, topmannen van multinationals, vooraanstaande economen, iconen van de financiële wereld.

Tegelijkertijd verzamelden in het Braziliaanse Porto Alegre zo’n zestigduizend mensen uit de hele wereld zich voor het World Social Forum. Het was een bonte verzameling actievoerders en vertegenwoordigers van organisaties die zich inspannen voor meer rechtvaardigheid, een betere verdeling van middelen en een gezond milieu. Mensen kortom, die nog niet zo lang geleden als anti-globalisten door het leven gingen.

Je denkt dan al gauw dat zo’n bijeenkomst in New York wordt gedomineerd door helderheid en pragmatisme, door leiders die weten dat de werkelijkheid van alledag vooral uit compromissen is opgebouwd. Een wereld waarin voor dromen geen ruimte is. En je gaat er dan al snel van uit dat de dromers van deze wereld, de idealisten en de hemelbestormers, dat die vooral in Porto Alegre zitten.

Maar het gekke is dat er in New York opvallend weinig daadkracht en helderheid viel op te tekenen. Integendeel: een rockzanger (Bono), een VN-bestuurder (Kofi Annan), een Harvard-professor (Dani Rodrick) en talloze anderen, vrijwel allemaal riepen ze op tot een herziening van het huidige, dominante economische model van vrije markt, open grenzen en privatisering. En hardop droomden ze van een ander soort mondiale samenhang, met open grenzen maar zonder open sluisdeuren, waardoor vrije geldstromen alles kunnen meesleuren wat ze onderweg tegenkomen.

Tegelijkertijd ritselde het in Porto Alegre van de daadkracht: honderden succesverhalen van lopende projecten en nieuwe initiatieven werden gepresenteerd, besproken en beoordeeld in een dynamische, kermisachtige uitwisseling van ideeën, kennis en ervaring.

Nuchterheid en daadkracht bij het Social Forum, gepieker en dagdromerij bij het Economic Forum… nog maar kort geleden was dat precies andersom. Ik denk daarom dat de afstand tussen ‘Porto Alegre’ en ‘New York’ snel kleiner zal worden.


April 2002

Gewond dier

Bij het schrijven van een stukje zoals dit bekruipt mij altijd een soort G.B.J. Hilterman-nostalgie. Hilterman was iemand – ik leg dit uit voor onze jonge lezers – die in de decennia tussen de Tweede Wereldoorlog en de val van de Muur het wereldnieuws van deskundig commentaar voorzag. Hij legde uit, zette in perspectief, en gaf duiding. ‘De toestand in de wereld’, heette zijn radiopraatje. Elke week kreeg die alsmaar ronddraaiende aardbol in zijn handen iets begrijpelijks en overzichtelijks.

Nostalgie is iets waar ik normaal geen last van heb. Maar Hilterman deed iets wat sindsdien nooit meer zo gemakkelijk is geweest: hij schetste een helder, overzichtelijk wereldbeeld. Op zijn globe waren twee grootmachten zichtbaar: ‘de Amerikanen’ en ‘de Russen’. Vanuit dat perspectief lieten heel veel ontwikkelingen en processen zich verklaren en duiden.

Maar nu? Een half jaar na elf september hebben we gezien hoe de enige overgebleven wereldmacht – ‘de Amerikanen’ – aanvankelijk de relaties met de rest van de beschaafde wereld aanhaalde in de strijd tegen een nieuwe vijand: het terrorisme. Maar daarna heeft ze een groot deel van die westerse wereld weer tegen zich in het harnas gejaagd. Amerika, dat gewonde dier, slaat nu woest om zich heen. Allerlei verbonden, verbanden en allianties met andere landen zijn eenzijdig opgezegd, op militair, economisch en milieugebied. Kernwapens zijn weer bespreekbaar, landen als China en Rusland worden gedemoniseerd als in de tijden van de Koude Oorlog, en het Amerikaanse militaire apparaat krijgt de grootste financiële injectie aller tijden.

De recente ruzie over een nieuwe importheffing op staal lijkt in dit licht wat minder belangrijk, maar schijn bedriegt. Globalisering moet het juist hebben van open grenzen, eerlijke handelskansen en een zekere transparantie. Zonder die transparantie (van kosten, winst en prijzen) groeit de welvaart scheef. Troebele markten veroorzaken ongelijkheid in rijkdom, groei en kansen. Arme landen zijn daar als eerste de dupe van. Wie neemt het voor hen op? Europa? Wordt dit dan de nieuwe ’toestand in de wereld’: Amerika vernielt, Europa bouwt weer op?


Mei 2002

Azië en armoede

In de strijd tegen armoede was de Aziatische regio de afgelopen dertig jaar het meest succesvol. Al leeft nog steeds een-derde van alle ondervoede kinderen ter wereld in Bangladesh, India en China, hier, in deze regio, is armoede procentueel gezien het meest gedaald. Dat succes is niet zozeer te danken aan een gestage miljardenstroom hulpeuro’s en -dollars uit het Westen, maar vooral aan de wereldhandel en de groeiende rol die Azië hier speelt. Dus: niet hulp maar handel heeft Azië een flinke duw in de goede richting gegeven.

De afgelopen weken werden in Nederland twee nieuwe, belangrijke initiatieven gelanceerd in de strijd tegen mondiale armoede. Minister Herfkens van Ontwikkelingssamenwerking lanceerde haar Actieprogramma Globalisering tegen Armoede. Bijna op hetzelfde moment gaf Oxfam International het startschot voor de mondiale campagne “Meten met twee maten”, die de komende jaren de vele oneerlijke kanten van wereldhandel wil aanpakken.

De overeenkomsten tussen de projecten zijn frappant. Beide beschouwen economische instrumenten als de kern van de oplossing. En beide gaan uit van de stelling dat eerlijke wereldhandel meer kan doen tegen armoede dan alle bestaande hulpprogramma’s bij elkaar. De feiten zijn misschien niet nieuw. Toch is het opvallend dat deze inzichten nu zijn gepromoveerd tot de kern van de oplossing.

De strijd tegen armoede heeft in betrekkelijk korte tijd een nieuw gezicht gekregen. Van een verbeten gevecht van anti-globalisten tegen het financiële establishment van Wereldbank en IMF is hier niets meer te merken. In plaats daarvan maken Oxfam en andere ngo’s, gesteund door een groeiend aantal progressieve regeringen, zich op voor een lange mars door deze mondiale instituten.

Ze hebben de tijd mee. Want ook binnen die organisaties rommelt het. Elf september heeft armoedebestrijding ook daar hoog op de agenda gezet. En het aardigste is misschien wel dat de onderbouwing waarmee Oxfam het onrecht op de wereldmarkt aantoont, zelfs door de meest conservatieve economen niet meer wordt betwist. Dat is, om in economische termen te blijven, pure winst.


Juni 2002

De wereld kennen

Hoe goed kennen we de wereld om ons heen? Weten we wie er rijk is? Wie arm? En hoe arm dan wel? Dat valt nog vies tegen, zo blijkt. We weten minder dan we denken. Sterker, we zitten er ver naast als we vragen als de bovenstaande moeten beantwoorden. Recent verscheen het NCDO-Draagvlakonderzoek, dat de Nederlandse Commissie voor Internationale Samenwerking en Duurzame Ontwikkeling heeft gehouden om te peilen hoe de Nederlanders tegenover de Derde wereld staan en wat we op dit punt van de overheid verwachten.

Zelf ben ik meer getroffen door de antwoorden op een paar kennisvragen, die het trouwens ook goed zouden doen in een tv-quiz. Hoe arm is Japan vergeleken met Nederland? En China? Nigeria? Suriname?

Hier blijkt iets geks: we kunnen redelijk inschatten hoe andere rijke landen zich ten opzichte van onze welvaart verhouden, maar bij de inschatting van arme landen zitten we er ver naast. Zo denken we dat de Chinezen gemiddeld driekwart van onze koopkracht hebben – in werkelijkheid is dat 14,5 procent. Nigeria zetten we op bijna de helft van onze welvaart, in het echt ligt dat cijfer op een schamele vier procent. Bij Suriname wordt het nog pijnlijker: we schatten onze voormalige kolonie in op ruim de helft van ons welvaartspeil, maar in feite ligt de koopkracht er op 2,2 procent …

We denken dus te weten hoe arm een groot deel van de wereld is, maar in feite hebben we geen idee. Is dat erg? Jazeker wel. Vooral nu we ineens een centrumrechtse politieke meerderheid in het zadel hebben geholpen. Een regering die eerder minder dan méér geld aan de Derde wereld zal willen besteden. Veruit de meeste Nederlanders zullen het daar niet mee eens zijn, blijkt uit dit onderzoek. Maar in een nieuwe centrumrechtse regering zal die stemverhouding heel anders liggen. Dat is kennelijk de prijs voor ‘niet-weten’ – ook in het stemhokje.

Cynisch is natuurlijk dat niet wij, maar de arme landen de prijs voor die onwetendheid zullen betalen.


Juli/augustus 2002

Immigratie

In betrekkelijk korte tijd is de visie in verscheidene Europese landen, inclusief het onze, ten aanzien van asielzoekers en illegale immigratie aanzienlijk verscherpt. Een nieuwe, gezamenlijke EU-aanpak komt nu snel dichterbij. Dat deze aanpak ook een stuk strenger zal zijn, hoeft op zichzelf niet slecht te zijn. Steeds meer mensen maken zich zorgen over de effecten van de groeiende illegaliteit op de eigen samenleving. Bij sommigen gaat het vooral om een verkapte ‘vol is vol’-gedachte, anderen menen dat de illegalen als gevolg van hun totale rechteloosheid een gemakkelijk doelwit zijn van uitbuiting en misbruik.

Een ander argument tegen de aanzwellende stroom asielzoekers en illegale immigranten is dat deze beweging goeddeels wordt gestuurd door internationale, uitstekend georganiseerde organisaties van mensensmokkelaars. De huidige gang van zaken wordt daarom meer beïnvloed door criminele krachten dan door beleid op basis van duidelijke afspraken en humaniteit.

In hoeverre helpen strengere regels? We weten dat een strenger beleid ten aanzien van asielzoekers alleen maar leidt tot groeiende illegaliteit, met alle problemen van dien. De enige oplossing is gelegen in het onderscheiden van de twee soorten vluchtelingen: de politieke en de economische. Asielzoekers gaan op de vlucht voor oorlog en dictatuur, illegalen kloppen aan omdat ze in eigen land geen fatsoenlijk bestaan kunnen opbouwen. Voor de eerste groep wil de EU meer opvang in eigen regio realiseren. Dat is alleen een serieuze optie als die regionale opvanglanden veel meer steun krijgen van het Westen. Met ontwikkelingsgelden, uiteraard, maar ook in de vorm van betere toegang tot de westerse markt. De oplossing voor de tweede groep mensen is in wezen niet veel anders: vooral economische hulp zet zoden aan de dijk. Vooral open handelsgrenzen naar het Westen zal zorgen voor welvaartsgroei en perspectief, zodat de noodzaak om te vertrekken zal verminderen. Aan dat laatste schort het nog steeds. Tot op heden is de EU goeddeels afgegrendeld, zowel voor de mensen als voor de producten.

Willen we de mensenstroom indammen, dan moeten onze grenzen wagenwijd open: voor handel, wel te verstaan.


September 2002

Een jaar na ‘nine eleven

Een jaar na de aanslagen van 11 september is de wereld veranderd. Sommige sombere voorspellingen, zoals het einde van de globalisering, zijn niet uitgekomen. Integendeel, zoals Moisés Naím in zijn betoog op pagina 40 van dit nummer uiteen zet. De aanslagen hebben er juist voor gezorgd dat overheden op mondiale schaal nu intensiever samenwerken dan ooit. Andere, optimistische visioenen van een wereldsamenleving die de handen ineenslaat en de armoede te lijf gaat, zijn evenmin werkelijkheid geworden.

Maar ergens tussen deze uitersten in is wel degelijk iets veranderd. In de discussies over de oorzaken van het terrorisme is vooral het ontbreken van een open, democratische Arabische samenleving als punt van zorg genoemd. Rijkdom voor enkelen, dankzij familiebanden, en een feodale samenleving zonder ontplooiingsruimte voor het individu zijn een zeer explosief mengsel gebleken, zoveel is nu wel duidelijk.

Enfin, het terrorisme zal zich even moeizaam laten uitroeien als, laten we zeggen, armoede en ongelijkheid, maar het begin is gemaakt. En zelfs zonder hulp van “nine-eleven” groeit de onderlinge verbondenheid van de mondiale burgers en hun regeringen tegen de klippen op. De oorzaak is onontkoombaar: abstracte begrippen als broeikaseffect en global warming worden de laatste maanden heftig geïllustreerd door overstromingen in oost en west, droogte elders, de Aziatische “bruine wolk” en ga zo maar door. De Wereldtop in Johannesburg heeft zodoende een grotere urgentie gekregen dan men ooit had durven dromen. En nu zelfs China verrassend het Kyoto-akkoord gaat ratificeren, blijft er eigenlijk maar één grote speler langs de zijlijn staan: de VS.

Hoelang nog? Ik ben optimistisch. Bush bezuinigt keihard op sociale voorzieningen, hij voert een enorme belastingverlichting door waar alleen de aller rijksten van profiteren, het begrotingstekort loopt op en hij steekt ook nog eens tientallen miljarden dollars in iets waar de economie niet veel aan heeft: een enorm veiligheidsapparaat. Het lijkt een prima recept voor een stevige verkiezingsnederlaag over twee jaar.


Oktober 2002

Wat werkt?

Wat werkt wel en wat werkt niet? Als het om ontwikkeling van arme landen gaat, is die vraag niet eenvoudig te beantwoorden. Kijk naar Afrika: geen continent heeft meer miljarden hulp ontvangen, maar toch is het hier nog lang niet in orde. En ondanks het leerproces dat daarmee samengaat, hebben de geldgevers geen eenduidig antwoord op de vraag hoe dat toch komt. De laatste tijd lijkt er dan toch het begin van een antwoord te komen op deze vraag, en wel van de Afrikanen zelf.

Twee voorbeelden ter illustratie.

In de eerste plaats is daar de conclusie van een VN-commissie dat de hulp die het continent de afgelopen decennia heeft ontvangen, als mislukt moet worden beschouwd (zie Aktueel, pagina 4). Het moet anders, met als kernpunt meer verantwoordelijkheid voor de Afrikaanse bestuurders.

Het tweede voorbeeld van het idee dat alleen Afrikanen werkelijk in staat zijn de vraag ‘wat werkt?’ te beantwoorden, ligt onder de grond of hangt er ver boven. Glasvezelkabels en satellieten veroorzaken een stille omwenteling die het gezicht van Afrika razendsnel verandert. De reportage in deze OnzeWereld laat helder zien hoe diep ICT ingrijpt in het dagelijks leven en de economie van het continent. Maar minstens zo opvallend is de constatering dat deze ontwikkeling zich grotendeels buiten het schootsveld van reguliere hulpverleners en geldgevers voltrekt.

Het zijn slechts twee voorbeelden die erop duiden dat succesvolle ontwikkeling langs onverwachte lijnen kan verlopen. De bestrijding van honger en ziekte zal altijd een prioriteit moeten blijven voor hulporganisaties. Maar als het gaat om de structurele opbouw van een samenleving, ligt dat kennelijk anders.

Het is trouwens niet voor het eerst dat een belangrijke trend volledig buiten de reguliere kanalen tot stand komt. Zoals een deskundige in de reportage zegt: ‘Waarschijnlijk gaat het net als met auto’s: daar hebben donoren en hulporganisaties zich nooit sterk voor gemaakt en die zie je nu toch ook in heel Afrika’.


November 2002

Netwerken

Een paar jaar geleden was het voor de meesten van ons nog een vrij abstract begrip: het netwerk. We kenden het vooral in de betekenis van relaties, privé en zakelijk, van een goed gevulde Rolodex met namen van mensen die je zou kunnen bellen als je iets van ze wilde. Er zat een element in van vrijheid, van vrije keuze. Lidmaatschap van een netwerk was moeilijk te verkrijgen of misschien van tijdelijke en dus nogal vrijblijvende aard. Erin en eruit, geen punt. Een kwestie van persoonlijke groei, van ontwikkeling. ‘Ik was toe aan iets nieuws’, krijg je dan te horen.

Dat gevoel van vrijblijvendheid ontbreekt volledig bij een ander soort netwerk: Al Qa’ida. Keihard, met dwingende regels, duidelijke doelstellingen en geen uitgang. Ongrijpbaar – en deels ook onbegrijpelijk voor ons, die opgroeiden in een volstrekt geïndividualiseerde samenleving.

Netwerken, hoe dwingend ook, zijn niet per se goed of slecht. In deze OnzeWereld worden er twee belicht. Het ene is eeuwenoud maar springlevend: de West-Afrikaanse handelsnetwerken van de Hausa en Wolof volkeren bloeien zelfs te midden van de tienduizenden grotendeels illegale Afrikaanse immigranten in New York. Dankzij dit netwerk kunnen zij overleven in deze stenen jungle, velen van hen zelfs beter dan hun Afro-Amerikaanse stadgenoten.

Het tweede netwerk in deze OnzeWereld is daarentegen nog erg jong: dat van de ‘andersglobalisten’, de grote groep wereldburgers die zich in enkele jaren tijd dankzij internet en e-mail heeft kunnen verbinden tot een macht van jewelste.

Of die macht wel altijd goed wordt ingezet is de vraag. Een vraag waarop in dit nummer een kritisch antwoord wordt geformuleerd in het essay op pagina 26. Deze maand komen in Florence tienduizenden andersglobalisten bijeen om ideeën uit te wisselen en plannen te maken op het eerste Europese Social Forum. Of dit netwerk ook zo sterk en oud wordt als dat van de West-Afrikanen zal de toekomst leren. Maar één ding is zeker: individualisme is uit. Dezer dagen gaat het met de netwerken beter dan ooit. De goede én de slechte.


December/Januari 2002-2003

De (anti)-globalist

Soms gaat het snel. Een paar jaar geleden was er nog niets, of bijna niets. Maar in 1999, tijdens een bijeenkomst van de WTO in het keurige Seattle, waren ze daar ineens: de anti-globalisten. De veldslag die daar op de straten werd uitgevochten tegen het financiële establishment, gaf de beweging een gezicht: de bivakmuts. Dat gezicht zou beklijven. Vanaf dat moment werd de beweging geassocieerd met protest, geweld en verzet: verzet tegen de globalisering die de rijke landen rijker maakt en de arme landen degradeert tot willoos slachtoffer van economische, westerse machtspolitiek.

Sindsdien is er veel gebeurd. De beweging van anders- (niet anti-) globalisten heeft een grote vlucht genomen. De bivakmuts is afgelegd, het protest is niet langer de dominante kracht. De netwerken van verzet zijn omgevormd tot netwerken van discussie en van samenwerking. Sterk zijn deze netwerken zeker: iedereen die zich wil inzetten voor een goede zaak, kan ‘inpluggen’ en meedraaien. Een scholier uit – zeg – Bovenkarspel kan evengoed een rol spelen in zo’n netwerk als een directeur van een ngo in Amsterdam of New Delhi. Maar hoe machtig zijn dergelijke netwerken eigenlijk? Wie bepaalt de agenda, wie geeft de richting aan?

OnzeWereld was aanwezig bij het European Social Forum in Florence. Rond de zestigduizend mensen kwamen daar bijeen om te praten over alternatieve globalisering, onder het motto ‘Een andere wereld is mogelijk’.

Dát die andere wereld mogelijk is, staat buiten kijf. Sterker: zelfs bij de instituties die sinds 1999 onder vuur liggen, wordt nu koortsachtig nagedacht over de kwesties en oplossingen die hier worden aangedragen. Het lijkt er dus op dat de andersglobalisten hun strijd al aan het winnen zijn – al is dit typisch een gevecht dat geen verlossend moment van overwinning kent.

Florence bewees nog iets anders: er is een nieuwe generatie opgestaan, die misschien nog wel het meest aansluit bij die van de jaren zestig. OnzeWereld zocht en vond – verrassend gemakkelijk – dertig vaderlandse exponenten van deze generatie. Allemaal doeners  -de tijd van dagdromerij is voorbij. Genoeg redenen dus om optimistisch het nieuwe jaar in te gaan.


Februari 2003

Wat is globalisering?

Tja, goeie vraag. De term is weliswaar in snel tempo ingeburgerd, maar wat verstaan we er nou precies onder? De definitie blijft wat abstract: ‘de toenemende mondiale verstrengeling en beïnvloeding van economische, politieke en culturele processen, over de grenzen van landen, culturen en volkeren heen’.

Politici en economen zien in globalisering de belangrijkste maatschappelijke ontwikkeling van de laatste decennia, en de grootste aanjager van veranderingen in deze tijd. Maar wat betekent dat nou, concreet?

Het Amerikaanse tijdschrift Foreign Policy heeft als eerste een gedegen poging gedaan het verschijnsel te vatten in concrete termen en processen, zodat globalisering zichtbaar en dus meetbaar kan worden gemaakt. Dat is belangrijker dan het misschien meetbaar maken van globalisering is een eerste stap om greep te krijgen op de relatie tussen globalisering, welvaart en welzijn van mensen. Om die reden krijgt deze studie naar de mate waarin ruim zestig landen zijn geglobaliseerd, een royale plaats in dit nummer van OnzeWereld. Niet omdat het onderzoek alomvattend of als graadmeter waterdicht is – de onderzoekers zijn de eersten om dat zelf te erkennen. Wel omdat de index, ondanks zijn beperkingen, een beeld geeft van de openheid van samenlevingen, van de onderlinge verbondenheid van mensen – of het tegendeel daarvan: isolement.

Niet alle openheid is per se goed: soms kunnen landen zich slecht verweren tegen buitenlandse druk, vooral op economisch vlak. Maar een open samenleving is in beginsel altijd beter dan een gesloten, omdat een open samenleving beter in staat is in te spelen op de wensen en de ambities van haar burgers. De grenzen van een op zichzelf gerichte samenleving houden niet alleen de buitenwereld buiten, ze belemmeren ook iedereen die binnen zit, in bewegingsvrijheid en groei. Een land dat sterk verbonden is met de rest van de wereld, waarvan de burgers de wereld kennen, landen kunnen bereizen en met andere wereldburgers in gesprek zijn, zo’n land is een prettiger oord voor zijn inwoners dan het land dat het isolement opzoekt.


Maart 2003

World Social Forum

Hoe belangrijk is de beweging van andersglobalisten? In het Braziliaanse Porto Alegre kwamen eind januari ruim honderdduizend mensen bijeen om in de duizelingwekkende drukte van honderden bijeenkomsten ideeën uit te wisselen en na te denken over een mondiale samenleving die ruimte biedt aan een menswaardig bestaan voor iedereen.

Critici noemden dit derde World Social Forum een ‘hoogmis van de dromers’, een bijeenkomst van gemankeerde ex-communisten die de heropstanding van Nieuw Links willen vieren. Onder hen ook Frits Bolkestein, de Eurocommissaris die alle heil verwacht van open grenzen en ongebreideld kapitalisme en die alle tegenstanders van dit neoliberale gedachtegoed graag afschildert als idioten die zijn blijven steken in failliete socialistische wereldbeelden.

Jammer dat Bolkestein niet met OnzeWereld in Porto Alegre was. Dan had hij een heel andere werkelijkheid kunnen zien. Een bijenkorf met opvallend weinig dromers en verstokte socialisten, met des te meer jonge activisten die, vaak als lid van een organisatie, bezig zijn om de uitwassen van de neoliberale globalisering te bestrijden.

Het grootste probleem is niet dat de andersglobalisten in Porto Alegre hun tijd verdeden – dat deden ze niet. Wat we daar zagen, was de voorspoedige groei van een nog jonge mondiale beweging van maatschappelijke organisaties, niet door politici gedomineerd maar door burgers. Veel nieuwe namen, maar ook oude vertrouwde als Terre des Hommes en Oxfam/Novib spelen hierin een rol.

Dit is goed nieuws voor de burgers van de wereld. De wetten van de globalisering worden tot nu toe vooral opgesteld op gezag van het transnationale bedrijfsleven. Burgers hebben daarin geen stem. De nieuwste voorstellen van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) bedreigen nu zelfs de democratische speelruimte van gekozen regeringen.

Het probleem ligt dus niet in de noodzaak van die strijd, maar in de abstractie ervan. Voorheen draaide het vooral om ontwikkelingshulp en inzamelingsacties. Nu moet een abstract machtsblok als het WTO worden bestreden. Hoe leggen we dát in vredesnaam uit?


April 2003

Vernieuwing

Normaal gesproken gaat het op deze plaats over dingen die we in dit blad aan de orde stellen: interessante inzichten, leuke uitspraken, grotere verbanden. Deze keer niet. Nu gaat het over onszelf, over OnzeWereld. OnzeWereld ziet er vanaf dit nummer heel anders uit. Het is een restyling die meer om het lijf heeft dan alleen een ander lettertje, meer wit op de pagina of een ander gebruik van koppen, foto’s of lijntjes. Deze uiterlijkheden zijn zeker belangrijk: ze maken het lezen gemakkelijker, bijvoorbeeld. De indeling is wat overzichtelijker, het ziet er allemaal wat dynamischer en frisser uit, mooier ook. En ook het nieuwe papier is prettig, vinden wij. En dankzij het nieuwe ruggetje zijn de OnzeWerelden voortaan beter op een rij te zetten in de boekenkast.

Dit zijn slechts uiterlijkheden. Het gaat natuurlijk om de inhoud. Ook hier is iets veranderd. De ‘oude’ OnzeWereld richtte het vizier vooral op ontwikkelingshulp en de problematiek van arme landen. De blik was vooral op ‘ver weg’ gericht. Dat is de afgelopen twee jaar al stapje voor stapje veranderd, met deze vernieuwing als voorlopig sluitstuk.

Waarom was dat nodig? Globalisering van economie en communicatie heeft de wereld in enkele jaren tijd ingrijpend veranderd. OnzeWereld is het enige blad dat zich consequent met de gevolgen van globalisering bezighoudt, zowel de leuke als de minder leuke kanten. Dat doen we in de toekomst nog meer dan in het verleden. Niet alles is nieuw. Aan een paar vertrouwde uitgangspunten houden we vast. Zoals onze betrokkenheid met en onze interesse in andere samenlevingen, en ons streven om daar zo integer mogelijk over te berichten.

In mijn platenkast staat een oude elpee die is gemaakt onder een motto dat, geparafraseerd, ook heel goed het motto van OnzeWereld kan zijn. Op de hoes staat vermeld: ‘To be listened to in the spirit in which it was made’. Voor ons zou dat zijn: ‘Bedoeld om te lezen in de geest waarin het is geschreven.’


Mei 2003

Vernieuwing (2)

Er was natuurlijk goed over nagedacht en we hebben er erg ons best op gedaan, maar helemaal zeker kun je nooit zijn. Dus de opluchting was groot toen de stroom brieven en e-mails van u, lezers, geen bommen en granaten bleek te bevatten. De vernieuwing van OnzeWereld is, zo vat ik nu maar even samen, vrij enthousiast ontvangen. Uit de inzendingen hebben we een kleine bloemlezing gehaald, die de brievenpagina geheel vult.

Een paar dingen vallen op. Een briefschrijver heeft het over ‘ons blad’ waarmee, zo begrijpen wij uit zijn woorden, de redactie niet zomaar wat mag aanrommelen. Anderen melden onderaan hun brief het ‘lidnummer’, vaak voorzien van de datum waarop dat nummer werd toegekend – afgezien van de enkeling die al zó lang abonnee is, dat die datum al lang is opgelost in de nevelen van de tijd. Hieruit spreekt een grote en vaak langdurige verbondenheid met OnzeWereld. Dat is iets waarvan we ons wel bewust waren, maar wat weer even heel zichtbaar is gemaakt. Dat is nuttig en het maakt bescheiden: dit is net zo goed uw blad als het onze.

Voor een enkeling was de vernieuwing een mooi moment om er nu maar eens een punt achter te zetten. De nieuwe koers die bijna twee jaar geleden is ingezet, is niet voor iedereen even interessant. Ook dat begrijpen we, en ofschoon niemand graag wil worden afgewezen – wij zeker niet -, willen we toch eerlijk en duidelijk zijn over onze visie. Jammer, maar helaas.
In een landelijk, maar niet erg wakker ochtendblad gebeurde iets anders: daar werd, in een overigens vrij sympathiek stukje, de restyling van OnzeWereld gezien als een verkapte bezuinigingsoperatie. De schrijver zag vooral de zwartwit cover en het stroeve papier als bewijs dat het kennelijk allemaal wat minder moest.

Onze verklaring van restyling en vernieuwing was, in de ogen van deze speurneus, dan ook slechts een flauw staaltje van verbaal rookgordijn. Dus we hebben, tussen de drukte door, ook nog even kunnen lachen. Gesterkt door uw reacties hebben we het nummer gemaakt dat nu voor u ligt. We blijven benieuwd naar uw mening.


Juli/aug 2003

Handel of uitbuiting?

Tot de meest gehate instellingen van deze tijd behoort ongetwijfeld de Wereldhandelsorganisatie, ofwel de WTO. Een afkorting die voor velen synoniem is aan de donkerste kanten van globalisering, een symbool van gewetenloze uitbuiting. Een instelling die ervoor zorgt dat westerse landen hun gesubsidieerde overschotten voor een habbekrats kunnen dumpen op de opengebroken markten van arme landen, om daarmee de lokale boeren van de kaart te kunnen vegen.

Deze WTO loopt zich warm voor een cruciale bijeenkomst in het Mexicaanse Cancun, in september, waar een nieuwe fase in het wereldhandelsoverleg aanbreekt. Duizenden internationale burgerorganisaties verzamelen hun krachten om daar te gaan protesteren tegen de machtsgreep die ‘de WTO’ in petto heeft en die regeringen nóg onmachtiger maakt in de strijd tegen het internationale bedrijfsleven.

Reden genoeg voor OnzeWereld om eens te gaan praten met Mike Moore, de man die tot eind vorig jaar aan het roer stond van de WTO. Moore ontving de verslaggever thuis in Genève. Hij blijkt een aardige en bevlogen man, strijdbaar tegen de armoede en fervent verdediger van de centrale rol die de WTO in die strijd kan spelen. Een man bovendien, die inspiratie put uit het arme arbeidersmilieu waaruit hij afkomstig is.

De WTO duikt ook op in de reportage over de katoenteelt in westelijk Afrika. Schijnbaar hebben de katoenboeren daar geen schijn van kans tegen de dumpingpraktijken van hun Amerikaanse collega’s. Een misstand waarvoor de WTO verantwoordelijk wordt gehouden. De vraag is of dat terecht is. Moore en de boeren zijn het over één ding eens: de westerse landen moeten hun grenzen zelf even wijd openstellen voor producten van elders, als ze dat eisen van de arme landen. Dat gebeurt niet, zo lang de rijke landen in de WTO de hoofdrol blijven spelen. De massale toetreding van arme landen tot de nog jonge organisatie, waar Mike Moore hard aan gewerkt heeft, kan daar echter verandering in brengen.

Na dit dubbeldikke zomernummer en voorafgaand aan de WTO-top in Cancun, wijdt OnzeWereld in september een special aan vrijhandel. Met daarin natuurlijk opnieuw aandacht voor de WTO, misschien wel de machtigste instelling op aarde.


September 2003

Boekbevrijding

We doen het in het openbaar, maar stiekem, want we willen niet worden gesnapt. Niet dat het verboden is, maar toch voelt het aan als iets illegaals. Dus telkens is daar die lichte spanning. Met in ons achterhoofd de vraag of iemand ons deze keer op heterdaad zal betrappen – want eens zal dat gebeuren, het kan niet uitblijven.

Sinds een maand of twee laten wij, de redactie van OnzeWereld, boeken achter. In treincoupé, wachtruimte, restaurant, leeszaal, park, waar we ook zijn. De boeken gaan mee in de tas en worden ergens ‘bevrijd’. (Zie voor een korte uitleg pagina 53.) Ik kan u zeggen: het is verslavend. Het moment van weglopen, nadat je een boek ergens op een tafeltje onder een krant hebt geschoven, geeft een prikkel. Het is een soort omgekeerd stelen: je neemt niet, je gééft iets weg – maar stiekem en publiekelijk, en dus is daar de spanning van het illegale.

Inmiddels hebben we al zo’n zestig boeken ‘gedaan’, en wie de moeite neemt ons digitale boekenplankje te bekijken op de website www.bookcrossing.com, kan zien dat nog vele tientallen boeken binnenkort hun vrijheid zullen herwinnen.

Genoeg hierover. Dit nummer staat, zoals vorige maand aangekondigd, voor een flink deel in het teken van de Wereldhandelsorganisatie (WTO), die deze maand in het Mexicaanse Cancún bijeenkomt. De top heeft een aantal voorstellen op de agenda staan die vérstrekkende gevolgen kunnen hebben voor het welzijn van de arme landen. De Nederlandse regering volgt op dit punt de lijn van de EU. Dat is vreemd, want die opstelling is veel harder en egocentrischer dan ‘ons’ nationale ontwikkelingsbeleid. Hoe dat eruit komt te zien doet minister Agnes van Ardenne in een interview in dit nummer uitgebreid uit de doeken. Dus waarom gaapt er zo’n kloof tussen het nationale beleid en de dingen waar we in EU-verband voor staan?

Eén ding is zeker: bij de WTO is van ‘stiekem weggeven’ geen sprake, wel van het tegendeel: ‘openlijk stelen’. Ook in ónze naam.


Oktober 2003

Verrassing

Het uiteenspatten van de WTO-top in Cancún is in sommige kringen als een overwinning gevierd. Vooral door vertegenwoordigers van arme landen en mondiale maatschappelijke organisaties die het opnemen voor de arme landen. Elders, vooral in bestuurlijke, westerse kringen, overheerste de grafstemming. Is Cancún een nederlaag voor de rijke en een overwinning voor arme landen?

Ik vrees dat het niet zo eenvoudig ligt. Ik zie niet in hoe het uitblijven van goede afspraken over het terugdringen van westerse subsidies goed kan zijn voor de boeren in het Zuiden. Zij zullen straks, net zomin als in het verleden, de westerse markt kunnen bereiken, er komt geen einde aan dumping van westerse overschotten, de subsidies in het rijke Noorden blijven intact.

Toch liet Cancún ook een ‘echte’ overwinning zien. We zagen de geboorte van een nieuw machtsblok van ontwikkelingslanden, de G-22. Zoveel arme landen die samen optrekken tegen het machtsblok van het Westen, dat is een prettige verrassing en biedt perspectieven voor de toekomst. In de G-22 domineren India, Brazilië en China. Wereldmachten van morgen, als ze van ons de kans krijgen. En misschien ook wel, trouwens, als ze die kans níet krijgen, maar gewoon grijpen.

Minister Laurens Jan Brinkhorst had in Cancún een nieuw zelfbewustzijn gezien bij de groep van arme landen, zei hij na afloop. Hij klonk nogal beteuterd. Waarom? Zelfbewustzijn lijkt ons nooit verkeerd, zeker niet als het wordt gehanteerd in een omgeving die door machtsdenken wordt gedreven.

Ook winst was de uitgebreide aandacht voor de WTO-top in de media. Dat is snel gegaan: tot enkele maanden geleden was de WTO voor de meeste mensen een abstract, weinigzeggend begrip. Nu niet meer. Cancún heeft de WTO, en daarmee het hele verschijnsel van globalisering, voor een groot publiek tastbaar gemaakt. Dat is veel waard. Want pas als globalisering een concreet ding wordt, is het mogelijk na te denken over de relatie die je ermee hebt.

In de vorige OnzeWereld deden we al een poging de WTO zichtbaar te maken. In dit nummer laten we zien hoe fotografen het fenomeen ‘globalisering’ in beeld brengen. Het is een kleine selectie uit een enorm project, heel divers in zijn uitwerking, geïnitieerd door Fotomanifestatie Noorderlicht in Groningen. De beelden laten zien dat globalisering samenlevingen overal ter wereld aanraakt. Net als de WTO: nergens tastbaar, maar overal aanwezig.


November 2003

US of A

In korte tijd zijn de Verenigde Staten de grote boosdoener geworden voor iedereen die zich inzet voor een betere wereld. Waarbij dit land staat voor alles wat in de ogen van de observeerder slecht is — een conclusie overigens, waarmee deze kijker zich in een moeite door tot een superieur niveau verheft. Misschien is dat allemaal terecht. Maar de dingen zijn zelden zo eenduidig als ze lijken.

Een goede vriend die al zijn hele volwassen leven een groot fan is van de ‘US of A’ en haar bewoners, die er jaren woonde en er nog steeds meerdere keren per jaar verblijft, kwam vorig jaar teleurgesteld maar vooral woedend terug van zijn reis. ‘Ze hebben me het land afgenomen’, zei hij, ‘de sfeer is totaal veranderd, er is niets over van dat tolerante, aardige en gastvrije van de mensen daar.’ Bij zijn laatste bezoek, nu enkele maanden geleden, had hij zich opnieuw voorbereid op geharnaste discussies met Bush-fans en Europahaters, of, erger nog, op demonstratief vermijden van politieke discussies omwille van de lieve vrede, zoals hij dat bij zijn voorgaande bezoek had aangetroffen.

Maar deze keer was er iets veranderd. Hij trof woede aan – niet gericht op de rest van de wereld, maar naar binnen gekeerd. En schaamte: wat is er van onze vrijheden geworden? Wat is er, in onze naam, in vredesnaam gebeurd? In deze OnzeWereld gaan we op zoek naar ‘het andere Amerika’: het progressieve, tolerante, vrijheidsgezinde Amerika. Dat bestaat – nog steeds, gelukkig, en wat beter is: dit Amerika van de hoop wordt elke dag sterker. Progressief Amerika is bezig zichzelf opnieuw te groeperen. De krachten worden gebundeld, om na november 2004, na de presidentsverkiezingen, deze donkere periode te kunnen afsluiten.

OnzeWereld sprak met politici, schrijvers en sociologen, en stelde een ranglijst op van de tien meest progressieve steden, die, tegen de stroom in, opkomen voor de democratische idealen van hun land. Noam Chomsky, gerespecteerd criticaster van het regime, schetst elders in dit nummer de gevolgen van de keiharde economische boycot van de VS tegen twee van de armste landen ter wereld: Haïti en Cuba. Waarmee maar gezegd wil zijn dat deze strijd nog lang niet is gestreden – ook niet als volgend jaar de periode-Bush afgesloten zou worden.


December 2003/Januari 2004

Te koop

Vorige maand besteedden zowel Vrij Nederland als HP/De Tijd en De Groene een cover en een groot aantal pagina’s aan de ziel van Nederland en haar ingezetenen. Veelzeggend, vonden we dat, en zeker geen toeval. In een turbulente, complexe wereld is het verleidelijk de aandacht te verleggen naar je eigen kleine wereldje. Daar is op zichzelf niks mis mee, want wie de wereld wil begrijpen, moet ook zichzelf doorgronden.

Toch lijkt het een uitstekend moment om OnzeWereld aan een nieuw lezerspubliek voor te stellen. Dit maandblad vaart namelijk een wezenlijk andere koers. In plaats van een diepgaande studie te maken van onze eigen navel trekken wij de wereld in; ons vizier reikt over de landsgrenzen heen. OnzeWereld wil laten zien hoe hecht onze eigen samenleving verbonden is met andere, dichtbij én veraf. In een mondiale samenleving die dankzij internet en Easyjet alsmaar kleiner wordt, zijn nieuwe, andere grenzen ontstaan: economische, culturele, politieke. Voor ons zijn deze nieuwe grenzen van groter belang dan de oude, geografische, scheidslijnen.

Onze abonnees wisten dit allemaal al langer, maar buiten die kring kende bijna niemand ons. Dat gaat veranderen. OnzeWereld is vanaf nu te koop op ruim duizend plekken in het land. De nieuwe lezers wens ik een prettige kennismaking toe. Ik ben er zeker van dat ons blad iets kan toevoegen aan de hoeveelheid informatie die over dit land wordt uitgestort.

Wat dan? Twee voorbeelden. In dit nummer hebben we een exclusief interview met de Amerikaanse schrijfster Barbara Ehrenreich over de extreem moeilijke positie van vrouwen in een globaliserende wereld. Onder druk van economische principes betalen vooral vrouwen uit arme landen een hoge prijs, zo blijkt uit het gesprek waarvoor we naar het Amerikaanse Virginia reisden. Tweede voorbeeld van ons on-Hollandse vizier is het fotoproject waaraan de redactie de afgelopen maanden intensief heeft gewerkt en waarvan in dit nummer op 32 pagina’s het eindresultaat is te zien. Wat betekent het om moeder te zijn? Die vraag is heel verschillend beantwoord door vijftien fotografen uit alle delen van de wereld – ja, óók uit Nederland.


Februari 2004

Hoop

Terwijl ik dit schrijf, heb ik nog een dag of wat om mijn spullen bij elkaar te zoeken voor een reis naar Mumbai, India. Daar vindt het vierde World Social Forum plaats. De vorige edities werden gehouden in de Braziliaanse stad Porto Alegre. Nu is het oostelijk halfrond aan de beurt. De discussies op het WSF gaan over talloze facetten van eigenlijk maar één vraag: hoe bouwen we een wereld die rechtvaardiger en duurzamer is dan de huidige? Het wordt een razend drukke week: er zijn honderden workshops en seminars, verspreid over een gigantisch zalencomplex.

Het doorvlooien van de programmakrant maakt moedeloos: hoe te kiezen uit dit overweldigende aanbod? Vervolgens zullen de meeste bijeenkomsten plaatsvinden in locaties die bomvol zijn, vanwege te kleine zaaltjes of een grote opkomst. De meeste zullen te laat beginnen, of ik zal zelf te laat zijn omdat ik onderweg ben opgehouden door de drukte of iets dat onverwacht mijn pad heeft gekruist. Een toevallig gesprek, een manifestatie van activisten, etnische groepen of nonnen, een doodstille tai-chi oefening van Falun Gong-leden, alles is mogelijk.

Het WSF is ‘vrije ruimte’, in de ware betekenis van het woord. Dit alles te midden van 100.000 deelnemers en, niet te vergeten, de 15 miljoen inwoners van Mumbai. Kortom: het WSF is het beste medicijn tegen somberte. Niets kan mij er sterker van doordringen dat er wel alternatieven zijn, dat er werkelijk een wereldmacht van burgers groeit die een andere samenleving wil, dan een onderdompeling in het WSF. Vorig jaar repte ik in mijn artikel van Porto Alegre als de ‘wereldhoofdstad van de hoop’. Voor wie er oog voor heeft, zijn er genoeg redenen voor hoop. Zo nemen steeds meer bedrijven hun verantwoordelijkheid en kiezen voor een duurzame weg. Vanaf dit nummer belicht OnzeWereld deze trendsetters in een nieuwe rubriek: De zaak.

Hoop heb ik ook gevestigd op u, lezer. Ik denk dat veel ‘wereldburgers’ best willen kennismaken met een tijdschrift dat zich volledig richt op de strijd voor een betere wereld. Speciaal voor hen zit in dit nummer een bon waarmee u gratis een OnzeWereld kunt laten opsturen aan zo’n bevriende wereldburger.


Maart 2004

World Social Forum

En, hoe was het in Mumbai? Het was de meest aan mij gestelde vraag van de afgelopen weken, eentje waar ik een simpel antwoord op heb: ‘Fantastisch’.

Daarna probeer ik uit te leggen wat er dan wel zo bijzonder was aan het World Social Forum in deze Indiase havenstad, het voormalige Bombay. Een vijfdaags evenement waar tussen de 80.000 en de 100.000 mensen uit ruim 130 landen op af waren gekomen, zeg ik dan. Mensen van allerlei maatschappelijke organisaties, kerken, vakbonden, en veel Novib-, Greenpeace- en Amnesty-achtige organisaties, som ik op. En natuurlijk al die interessante deskundigen, de Nobelprijswinnaars, de bekende schrijvers. Maar de reacties van mijn vrienden blijven vaak een beetje lauw. ‘O, klinkt leuk…’, hoor ik dan.

Dat komt, denk ik, doordat ze verder niet veel over het World Social Forum hebben gezien of gelezen. Een enkel krantenstukje, een kort tv-itempje, ook nog iets op de radio, en dat is het dan wel. Onbegrijpelijk: OnzeWereld is een van de schaarse media die deze mondiale ‘civil society’ min of meer op de voet volgen (zie pagina 18 voor een verslag). De gemiddelde geïnteresseerde Nederlander mist dus een hoop. In Mumbai hadden we trouwens ook een interview met nog een groot fan van deze beweging van andersglobalisten: de Iraanse juriste Shirin Ebadi, Nobelprijswinnaar voor de Vrede. De neerslag van dat gesprek staat op pagina’s 42 en verder.

Veel mensen vinden dit soort onderwerpen wel degelijk interessant, daar ben ik zeker van. We geven per slot van rekening ook elk jaar ruimhartig 3,5 miljard euro uit aan ontwikkelingssamenwerking. Maar inzichtelijke verhalen over de Derde wereld blijven dun gezaaid. Daarom wijs ik u nog maar eens op de antwoordkaarten in dit nummer waarmee u dit tijdschrift kunt weggeven aan mensen die, net als u, geïnteresseerd zijn in de wereld om ons heen. En nu ik toch aan het werven ben: ook De Nieuwe Omroep wil meer aandacht geven aan de ‘rest van de wereld’. De aspirant-omroep heeft nog een paar duizend leden nodig om toegelaten te kunnen worden. De tijd dringt. U, lezer, kunt het verschil maken. Op www.denieuweomroep.nl kunt u zich aanmelden.


April 2004

Engagement

Soms weet je iets allang voor het wordt bewezen. Je ziet iets om je heen gebeuren en je krijgt er een duidelijk beeld bij, je ontwaart een trend, je ziet iets voor je ogen ontstaan. Het is een gevoel, en je denkt: kunnen we daar wat mee? Hoe belangrijk is het?

Alweer een jaar of twee geleden bespeurde de redactie een nieuw elan bij jongeren, twintigers vaak nog. We zagen een ander soort aandacht voor de wereld om ons heen, voor de kloof tussen arm en rijk, voor onrecht, ziekte, achterstelling, ongelijke kansen. Anders dan het oude engagement, want niet strak afgebakend langs politieke scheidslijnen van links en rechts. En vooral ook: actief. Zit je ergens mee? Doe er wat aan!

We besloten dertig van die jongeren op te sporen en in OnzeWereld te portretteren. De reportage verscheen eind 2002 en was een groot succes.

Een paar weken geleden presenteerde marktonderzoekbureau Motivaction een gedegen studie naar een nieuwe groep van ‘pragmatisch idealisten’. Wat blijkt? De jonge wereldburgers hebben niks met de protestideologie van hun ouders, ze zijn ongeorganiseerd en willen snel resultaten. Ze hebben niet veel op met politieke partijen, met collectieve acties, met antimilitarisme. Passie is een belangrijke drijfveer, meldde Motivaction. En ze willen er iets aan overhouden, zoals een reis naar Zuid-Amerika. Zie pagina 37, we komen er zeker op terug.

Wat daar nou zo aardig aan is? Dat veel van onze lezers nog tot de protestgeneratie van de jaren zeventig behoren. We hebben het dus over hun kinderen. En direct wordt een soort generatieconflict duidelijk: ouderen denken dat het activisme vroeger beter was, en de jongeren hebben weinig fiducie in de manier waarop hun ouders voor een betere wereld vochten. En omdat de ouderen nog vaak de grote hulporganisaties bevolken, zoeken jongeren hun eigen weg. OnzeWereld probeert zowel de ene groep als de andere te bereiken.

 Is dat onmogelijk? We denken van niet. Uiteindelijk gaat het om het engagement, om het knokken voor een betere wereld. Die strijd is nog lang niet gestreden. En zonder jongeren wordt het niks.


Mei 2004

Moderniteit

Erger dan de beelden van de gegijzelde westerlingen in Irak, en van de dode lichamen van mensen die in hun auto zijn verbrand, was voor mij de aanblik van de mensen die eromheen stonden te juichen. Van veel dingen die in eerste instantie onbegrijpelijk lijken, kan ik bij nadere beschouwing wel iets vatten. Hier had ik dat niet. Niet alleen de slachtoffers werden ontdaan van hun menselijke waardigheid, ook de daders toonden zich mensonwaardig.

Waar komt dit gedrag vandaan? Is het geworteld in de islam? Biedt deze religie geen duidelijke ethische kaders, eist de islam van zijn volgelingen geen verantwoordelijkheid voor eigen gedrag?

OnzeWereld besloot op zoek te gaan naar de moderne islam waarin religie samengaat met respect voor het individu, voor de integriteit van het lichaam, voor de waarden die we tegenwoordig al snel ‘westers’ noemen. Het goede nieuws is dat die vorm van moderne islam echt bestaat – en zelfs bloeit. Twee relatief welvarende, moderne islamitische landen, Maleisië en Marokko, hebben in recente verkiezingen bewezen dat veruit de meeste mensen daar niets moeten hebben van fundamentalisme en sharia. De verkiezingen leverden daar een grote overwinning op voor de modernisten, die een samenleving nastreven met gelijke kansen op ontplooiing.

In dit nummer schetsen we vanaf pagina 18 een beeld van de manier waarop Maleisië en andere Aziatische landen de islam proberen te integreren in een zich ontwikkelende maatschappij. En vroegen we aan islamitische passanten in de Amsterdamse Kinkerstraat naar hun eigen idee van de moderne islam.

In zowel Maleisië als Marokko is het welvaartspeil het afgelopen decennium enorm gestegen. Dat bewijst, denk ik, dat mensen die een bepaalde graad van welstand bereiken, geen zin meer hebben in religieus fundamentalisme. Wie eenmaal de ruimte heeft gekregen zich te ontplooien, wie toegang heeft tot goede gezondheidszorg en onderwijs, die taalt kennelijk niet meer naar de fundamentalistische islam. Dat is goed te horen – het geeft namelijk aan waar de oplossing van de problemen ligt. En eigenlijk hoeft het antwoord ons niet te verbazen. Maar op de een of andere manier is dat, in deze vreemde tijden, toch een geruststellende conclusie.


Juni 2004

Burgers

Het is nog helemaal niet zo lang geleden dat ik met Tsjechische vrienden rondliep in een grauw, somber Praag en door de verzuurde wouden van Noord-Bohemen. Er speelde maar één vraag op hun lippen: kan het ooit nog wat met ons worden? Inmiddels kennen we het antwoord, de Tsjechen zijn nu deel van de Europese Unie. Je hoort wel eens dat de Europese uitbreiding een schoolvoorbeeld is van hoe je een democratisch, open samenlevingsmodel succesvol exporteert. Het werkt in elk geval beter dan die andere exportmethode die we kennen van onder meer Irak: modernisering via de loop van een geweer. Dat lukt nooit, omdat een wezenlijk ingrediënt ontbreekt: vertrouwen.

Dat vertrouwen hebben we wel in de Europese Unie. Terecht? Het is bepaald geen sexy onderwerp, de EU, en wij hier op de redactie weten heel goed dat de meeste mensen niet zitten te wachten op een verhaal over de gang van zaken achter de schermen bij de EU. Toch hebben we dat artikel gemaakt.

Het moest, meenden we, want in Brussel gebeuren dingen die bijna niemand weet en die we niet moeten willen. In de EU heeft het bedrijfsleven de overhand boven de burgers. Een lobby van bedrijven stuurt het debat en schrijft mee aan nieuwe regelgeving. De stem van de burger speelt nauwelijks een rol. Terwijl in Den Haag de invloed van verkozen politici taant, groeit de macht van het bedrijfsleven in Brussel. Zouden de inwoners van de nieuwe landen van de EU dat wel beseffen? Waarschijnlijk niet, net zomin als de gemiddelde Nederlander.

De vraag hoe u, burger, invloed kunt uitoefenen op beleid, duikt in dit nummer op diverse plaatsen op. In de drie winnende essays over het thema ‘Globalisering: kans of beproeving?’, die we publiceren in samenwerking met de Wiardi Beckman Stichting. En ook in het artikel van de hand van minister Van Ardenne over de toekomst van de hulp aan de Derde wereld. Maar zolang het beleid wordt bepaald door een goed geoliede bedrijfslobby is de democratisering nog ver weg.


Juli/Augustus 2004

Optimisme

Geloof mij, het zijn goede tijden voor de idealisten onder ons. Dit extra dikke zomernummer biedt genoeg reden tot een zeker optimisme. Want de kritische geluiden over de reguliere ontwikkelingshulp in politiek en media zouden je bijna doen geloven dat de Nederlanders zich hebben afgekeerd van het idee dat je echt iets kunt betekenen voor anderen in minder gelukkige omstandigheden. Dat is niet zo. In dit nummer gaan we dieper in op een onderzoek dat aantoont dat in Nederland ‘idealisme’ weer helemaal in is. De betrokkenheid van Nederlandse jongeren bij de rest van de wereld is de laatste jaren enorm gegroeid, en dat wordt op allerlei terreinen zichtbaar. Het nieuwe idealisme heeft heel andere karakteristieken dan het oude, dat in de jaren zeventig opkwam en de basis heeft gelegd voor de ontwikkelingshulp en de hulporganisaties die nu de toon zetten. In een reportage en een reeks generatieportretten laten we idealisten uit verleden en heden aan het woord. Opvallend is dat de ouderen het idealisme in de jongeren slecht herkennen. Het artikel is daarom ook, onbedoeld, een bruggetje over een diepe generatiekloof.

Idealisme is ook het sleutelwoord in een verschijnsel dat in deze tijd een geweldige bloeiperiode doormaakt: het particuliere goede doel. In de discussies over draagvlak bij Nederlanders voor ontwikkelingshulp wordt deze categorie vaak over het hoofd gezien. Onterecht, want dwars tegen alle sombere geluiden in maken deze kleine goede doelen een grote vlucht. Het idee van zelf iets aanpakken, zonder strijkstokken en ambtelijke organisaties, blijkt sterk aan te spreken. De grote hulporganisaties, die nog niet zo lang geleden meenden dat dit goede werk beter overgelaten kon worden aan de professionals, helpen deze particulieren nu waar ze kunnen.

De bijlage die gratis bij dit nummer is gevoegd, is in zijn geheel gewijd aan gewone Nederlanders en hun eigen goede doelen. Jong of oud, rijk of arm: idealisme in de praktijk is voor deze mensen toch heel vaak: gewoon iets aanpakken en doorzetten tot je resultaten ziet. Wat dat betreft is er weinig veranderd: idealisme moet je doen. Reden genoeg, kortom, om met een positief gevoel de zomer in te gaan. Tot september!


September 2004

Gerommel

Al een hele tijd rommelt het in het wereldje van ontwikkelingssamenwerking. De sector, die vanouds tamelijk ongestoord haar goede werken kon doen, ligt hevig onder vuur. Er worden vraagtekens gezet bij de effectiviteit van de hulp, steeds vaker ook door insiders. Bovendien krijgen de hulporganisaties, die jaarlijks vele miljoenen euro’s overheidsgeld mogen uitgeven, te maken met steeds strengere en soms ook tegenstrijdige beoordelingscriteria. Ook in politiek Den Haag waait een andere wind: enkele Kamerleden pleiten al hardop voor halvering van het OS-budget.

De meeste politici echter blijven opvallend stil over dit onderwerp – een teken van instemming of desinteresse? Tegelijk wordt het budget van het ministerie van Ontwikkelingssamenwerking steeds gretiger geplukt door andere departementen. Te midden van dit beschaafd tumult wordt met argusogen gekeken naar de minister voor Ontwikkelingssamenwerking, Agnes van Ardenne.

Welke visie heeft zij op de toekomst van hulp? Is dit departement bij haar wel in goede handen, juist nu zoveel twijfels worden geuit over de zin van hulp en de effectiviteit van traditionele ontwikkelingssamenwerking? Reden genoeg voor een diepgaand journalistiek onderzoek, meenden wij. Journalist Marc Broere voerde, verspreid over enkele maanden, tientallen gesprekken met evenzovele deskundigen, buitenstaanders, naaste medewerkers, hoge ambtenaren en collega-politici over het functioneren van de CDA-bewindsvrouw. Veel van die bronnen wilden alleen iets loslaten na toezeggingen dat ze anoniem worden opgevoerd. De gepubliceerde beschuldigingen zijn door meerdere bronnen bevestigd. De namen van alle betrokkenen zijn bij ons bekend en we weten welke informtie van wie afkomstig is.

Het is een onthullend en in zekere zin ook onthutsend portret geworden van een ministerschap in zwaar weer. Het onderzoek maakt een paar dingen glashelder. Er is juist in deze tijd grote behoefte aan een stevig debat over toekomst en ambities van ‘onze’ ontwikkelingssamenwerking. Echter, minister Van Ardenne blijkt dit in de weg te zitten met haar persoonlijke dadendrang, haar ongeduld en haar wantrouwen. Ze zwalkt, vindt het wiel steeds opnieuw uit en kijkt te weinig naar de lange termijn. Ze verdraagt slecht kritiek, en schoffeert de deskundigen en ambtenaren die haar beleid diepte en daadkracht zouden kunnen geven. Hoelang blijft het nog stil in Den Haag?


Oktober 2004

Van Ardenne

‘Minister onder vuur’, het artikel over minister van Ontwikkelingssamenwerking Agnes van Ardenne (in de OnzeWereld van september) heeft veel losgemaakt. We kregen veel reacties en ook bij het ministerie lag het betreffende stuk, volgens onze zegslieden, voortdurend onder het kopieerapparaat. Goed nieuws, natuurlijk – al zou de uitgever liever zien dat de gretige lezers naar de winkel waren gelopen om het blad te kópen. Dit terzijde.

Opvallend is dat vrijwel alle reacties uit de sector – al die instellingen in dit land die zich bezighouden met ontwikkelingssamenwerking – anoniem, informeel of op een andere niet-officiële manier tot ons kwamen. Aan meningen en visies geen gebrek, zo merkten wij, maar er ook mee voor de draad komen is kennelijk toch een ander verhaal. Uitzondering hierop vormden de schaarse reacties van insiders die het niet met de teneur van het stuk eens waren. Onder hen een hoge ambtenaar, die graag had gezien dat zijn kijk op de zaak – gevat in een zeer lang epistel – volledig en zonder commentaar in dit blad was geplaatst. Hier is om journalistieke redenen niet aan voldaan: iedere stem in dit debat moet zich in OnzeWereld de confrontatie van andere meningen en de toetsing van zijn beweringen laten welgevallen. We zijn op dit punt niet te vergelijken met IS, het overheidsblad dat louter is bedoeld om de minister en haar beleid in een goed daglicht te stellen, in ruil waarvoor het dan wel gratis in de brievenbus van de abonnees wordt gestopt.

De discussie over de minister is losgebarsten, maar niet openlijk. Kennelijk willen de meeste organisaties hun gevoelige relatie met de minister niet op het spel zetten. Een relatie waarin de rol van de CDA-bewindsvrouw nog het meest lijkt op een kruising tussen een strenge bovenmeester (die het oordeel velt) en Sinterklaas (die het geld uitdeelt).

Op de nieuwspagina’s gaan we dieper in op alle commotie en de reacties op het artikel. Het wordt tijd dat het debat over succes, koers en toekomst van ontwikkelingssamenwerking naar de oppervlakte komt. Als de betrokkenen dit niet aandurven, zullen ze constant in het defensief worden gedrongen door degenen die minder last hebben van scrupules.  


November 2004

Meetbaar

We zijn gek op cijfers. Omdat ze de indruk wekken een objectief, neutraal beeld te geven van de situatie – welke situatie dat ook is: een atletiekwedstrijd, een economie, of een ramp. ‘Meten is weten’, dat is het mantra van de westerse samenleving. Cijfers lijken uit te stijgen boven de interpretatie: het zijn feiten die de basis vormen voor discussie.

Daarom is het artikel van Linda Polman in deze OnzeWereld ook zo verontrustend: niet de interpretatie van cijfers staat hier centraal, de cijfers zélf worden ter discussie gesteld. Daar is alle reden toe, zo blijkt. In een wereld die blind vaart op cijfermateriaal, is de kwaliteit van die cijfers de achilleshiel. Polman toont op basis van eigen observatie en onderzoek aan dat de meeste cijfers die in het debat over hulp worden gebruikt, zijn gestoeld op een wankele basis. Hoeveel aidspatiënten of schoolgaande kinderen zijn er in Afrika? Of in een willekeurig arm land? Geen mens die het weet: het meeste onderzoek wordt verricht door organisaties die directe belangen hebben bij de uitkomst ervan, en lokale overheden doen er ijverig aan mee. Iedereen wil cijfers, niemand controleert ze. Dat maakt de discussie over de omvang van de hulpbehoefte een heikele, want gebouwd op drijfzand. Juist in een tijd waarin de effectiviteit van hulp vooral in cijfers moet worden gevat, is dat een alarmerende conclusie.

Niet meetbaar in absolute cijfers maar wel degelijk een factor van belang is de inbreng van vrouwen in de bewegingen die zich inzetten voor een betere wereld. Je hoeft geen Einstein te zijn om te zien dat de organisaties die werken aan schoner water, beter onderwijs, gezondheidszorg, milieu, arbeidsomstandigheden en zelfs landbouw vaak worden gedomineerd door vrouwen. Daarom pakken we in dit nummer uit met een soort ‘catwalk’ waarop we vrouwen presenteren die, in een door economie en ‘cijfers’ gedomineerde wereld, het verschil proberen te maken. Vaak doemen bij dergelijke onderwerpen al gauw termen op als ‘zachte krachten’ en dergelijke. Dat lijkt ons niet terecht. Wat juist opvalt is het ongelofelijke doorzettingsvermogen, de enorme betrokkenheid en de energie van deze vrouwen. Die kwaliteiten lijken ons ‘harder’ en zeker belangrijker dan de dubieuze cijfers waar we zo aan gehecht zijn geraakt.


December/januari 2004/2005

Onzichtbaar

Cijfers, opnieuw. In de vorige OnzeWereld uitte Linda Polman haar grote twijfel over de betrouwbaarheid van de statistieken die worden gebruikt om de wereldwijde armoede, ziekte en honger in kaart te brengen. In dit nummer laten we zien hoe een dergelijk gebrek aan feitelijke informatie in de praktijk uitpakt. Een van de grootste humanitaire rampen van dit moment voltrekt zich in de West-Soedanese provincie Darfur. Of is het toch niet zo erg als de media ons willen doen geloven? Er woedt een felle discussie over het aantal slachtoffers. Zijn het er vijftigduizend? Of driehonderdduizend? We weten het niet. En we weten het niet omdat we geen onafhankelijke informatie hebben. Hulporganisaties, de Soedanese overheid, rebellengroepen: ze hebben allemaal hun eigen cijfers, die hun eigen politieke of financiële agenda dienen.

Het is een wrange paradox: in een tijd waarin we via satellieten elke vierkante meter van de aarde kunnen begluren, blijven de meest verschrikkelijke gebeurtenissen onzichtbaar als ze ons niet goed uitkomen. Onzichtbaarheid is het grootste gevaar voor mensen in nood. Dat geldt voor Darfur, maar ook voor de miljoenen mensen die wereldwijd lijden onder de gevolgen van vergeten oorlogen en chronische armoede.

In dit nummer proberen we die onzichtbaarheid te doorbreken. Niet alleen door verslag te doen van de situatie in Darfur, maar ook door aandacht te vragen voor de structurele oorzaken van uitsluiting en onrecht. We introduceren een nieuwe rubriek, ‘De Wereld van…’, waarin we elke maand een kijkje achter de schermen geven bij een organisatie of project dat zich inzet voor verandering. Want achter de cijfers – hoe onbetrouwbaar ze ook mogen zijn – schuilen altijd mensen van vlees en bloed. En hun verhalen verdienen het om gehoord te worden.

Februari 2005

Ramp

Dit nummer van OnzeWereld had eigenlijk een vakantiespecial zullen bevatten. Dat moet nu wachten. De grootste humanitaire ramp en de grootste hulpoperatie aller tijden gooiden die planning in de war. We besteden er achttien pagina’s aan: vanwege de omvang van de ramp, maar toch vooral omdat hierin de kernthema’s samenkomen die OnzeWereld onderscheiden van andere tijdschriften. Globalisering, Derde Wereld, hulp, ontwikkeling en, in al die onderwerpen, de rode draad: onze relatie met ‘de rest van de wereld’. Hoe krijgt die relatie vorm? Welke aspecten ervan zijn vruchtbaar, welke niet? Wat moeten we doen? Wat kúnnen we doen? Wat helpt en wat helpt niet? Welke mythes koesteren we over de aard van die relatie? Daarover laten we diverse stemmen aan het woord, die, na de enorme aandacht in de nieuwsmedia, nog iets wezenlijker toevoegen – althans, dat denken wij.

Er is een dagboek van een ervaren, gelouterde hulpverlener in Atjeh, die een emotioneel en tegelijk glashelder beeld geeft van de dagelijkse praktijk, de voeten stevig in de modder. Het dagboek begint in dit nummer, maar zal de komende tijd worden voortgezet op onze website, www.onzewereld.nl. Dan is er een artikel over de hulpoperatie zelf: wat komt er zoal bij kijken? Hoeveel dekens moeten waarnaar toe? Wie beslist wat? En moeten die dozen met knuffels ook mee? Tenslotte is er nog een beschouwende, kritische impressie van een ervaren verslaggeefster op het terrein van hulp. Dat alles aangevuld met indrukwekkende beelden van onze eigen fotografen.

Deze ramp heeft niet alleen de grootste inzamelingsactie van Nederland teweeggebracht – er is ook een nieuwe, kritische houding merkbaar die tijdens de grote inzamelingsactie nog het beste werd verwoord door presentator Martijn Krabbé. Hij beloofde de verzamelde hulporganisaties over de besteding van het geld: ‘We zullen jullie goed in de gaten houden!’ Deze roep om méér transparantie komt niet uit de lucht vallen en is een blijvertje in de verslaggeving over de effectiviteit van hulp – ook in OnzeWereld.


Maart 2005

Wat werkt?

Wat werkt? Die simpele vraag duikt vaak op in artikelen in OnzeWereld. Niet voor niks. Het debat over hoe we armoede en honger kunnen bestrijden, hoe we een eerlijke globalisering kunnen realiseren zodat arme landen de kans krijgen de levensstandaard van hun burgers te verbeteren, draait immers om de vraag welke methoden wel effect hebben, en welke niet. Die antwoorden zijn des te actueler nu er, althans in Nederland, vraagtekens worden gezet bij de besteding van ontwikkelingsgeld. Voor Nederland is dat jaarlijks ruim vier miljard.

Na zoveel jaar van beleid is er veel geleerd, blijkt uit allerlei ontwikkelingen, zoals de presentatie van het Millennium Project door Jeffrey Sachs. De Amerikaanse econoom schetst welke kant het uit moet met de hulp. En op het World Social Forum lanceerden tweehonderd organisaties een campagne tegen armoede en honger, met concrete opvattingen over wat werkt (zie pagina 28).

Bij het zoeken van antwoorden op ‘wat werkt?’ kwamen we ook uit in Nepal. Daar vormt de invoering van kleine verzekeringen een vangnet voor de mensen die de strijd tegen armoede aan het winnen zijn (zie pagina 12).

Over die ‘hamvraag’ gaat het ook in het artikel over het functioneren van de Derde Kamer. Dat orgaan is bedacht door de Nationale Commissie voor Internationale Samenwerking en Duurzame Ontwikkeling (NCDO), die jaarlijks vele miljoenen kan spenderen aan ‘het versterken van draagvlak bij de burger’ voor ontwikkelingshulp. Deze Derde Kamer heeft de afgelopen twee jaar zo’n anderhalf miljoen gekost, en laat Nederlanders in een soort parlement debatteren over hulp. Een Kamerlid geeft een onthullende kijk op het functioneren ervan. De vraag ‘werkt het?’ is ook hier relevant, menen wij. Oordeel zelf op pagina 25.

Intussen knokken duizenden hulpverleners om het geld dat massaal werd ingezameld na de tsunami, goed te besteden in Azie. Het dagboek van hulpverlener Johan van Dijk op Atjeh, begonnen in het vorige nummer, gaat verder op onze website – een schrijnend en emotioneel verslag van iemand aan wiens effectiviteit niemand hoeven te twijfelen.


April  2005

Ruimte voor twijfel

Armoedebestrijding, hoe doe je dat?
Vorige maand was ik een weekje op stap met Nederlandse bestuurders en ambtenaren in Nicaragua. Ze gingen langs bij de steden waarmee hun gemeenten, vaak al sinds twintig jaar, een band hebben. Het was een bont gezelschap. Bureaucraten, bestuurders, bevlogen vrijwilligers, van zeer ervaren tot grasgroen op dit terrein van internationale betrekkingen. Allemaal met hun eigen agenda. Dat viel op: iedereen bleek zo zijn eigen opvattingen te koesteren over de rol die ze in dit straatarme land konden spelen.

Opvallend was de geringe ruimte voor twijfel aan de eigen effectiviteit. Vooral de vrijwilligers en de gemeenteambtenaren, hier vaak al jaren kind aan huis, leken weinig last te hebben van vraagtekens. Een beetje bescheidenheid zou ons sieren, tenminste als je durft te kijken naar de resultaten van de afgelopen decennia. Die zijn overigens helemaal niet zo slecht, maar de successen kwamen vaak uit onverwachte hoek. Durven twijfelen aan je eigen grote gelijk lijkt me een teken van kracht, juist in deze tijd van schuivende dogma’s.

Daarom is het interessant dat minister Bot van Buitenlandse Zaken, onverwacht, een nieuwe visie heeft geponeerd op armoedebestrijding, een visie waarmee hij sterk afwijkt van het oude adagium van zijn collega Van Ardenne. (zie het artikel op pagina 11). Het lijkt de zoveelste politieke tweestrijd te worden, en dat zou jammer zijn. Nieuwe antwoorden op oude vragen zijn altijd het bestuderen waard. En trouwens, waarom wordt hierbij zo weinig gekeken naar wat andere rijke landen als aanpak hanteren? Het lijkt alsof we zelf alle antwoorden willen verzinnen. Bot zet de economische invalshoek centraal, en, al is daar misschien niet alle heil van te verwachten, er is veel voor te zeggen.

Soms begint armoedebestrijding op een nog dieper niveau: dat van gedragsverandering. In het fascinerende verhaal van Aernout Zevenbergen (pagina 18) komt de vraag aan bod wat er in hemelsnaam mis is met ‘de Afrikaanse man’. Heel wat, zo lijkt het. Hier is weer een heel andere aanpak nodig dan in, zeg, Nicaragua. Daar bleken dingen te ‘werken’ waar ik niet zo gauw op was gekomen. Wat zou er nodig zijn om de Afrikaanse man beter te laten ‘werken’?


Mei 2005

Ali B en Katja

Op stap met rapper Ali B in de sloppenwijken van Bangladesh, dat is nog eens wat anders dan een reisje in het gezelschap van ontwikkelingswerkers. Ali B ziet andere dingen dan de hulpdeskundigen, hij reageert er anders op, stelt andere vragen, en, het leukste: hij roept ook een andere reactie op bij de mensen die hij ontmoet. Ali B kijkt met zijn 23 jaar intelligent maar onbevangen naar de kloof tussen arm en rijk. Verfrissend natuurlijk, maar wat mij nog het meeste aanspreekt, is dat hij niet direct vervalt in een schuldvraag, of denkt dat alle redding uit het rijke Westen moet komen.

Ali B zag uitzichtloze situaties, maar vooral zag hij de energie, de kracht en de hoop bij de mensen die in zware omstandigheden probeerden iets van hun leven te maken. Er was, hoe gek het misschien ook klinkt, een gelijkwaardig contact, geld speelde even helemaal geen rol. Marc Broere ging met Ali B mee, zijn verhaal staat in dit nummer. Het laat ons anders kijken naar de problematiek, dat zeker, maar, belangrijker: het geeft dus ook een andere blik op de mensen zelf.

Dat zien we de laatste tijd vaker, lijkt het. Het imago van ‘de armen’ is aan het veranderen. In de zomer van vorig jaar publiceerden we al een artikel onder de kop ‘de groeiende macht van de armen’, over de vier miljard armen in de wereld, niet als hulpbehoevende stakkers, maar als nieuwe consumenten, als klanten.

Natuurlijk moeten we bedenken dat mensen die ineens tot consument worden gebombardeerd, vooral op hun financiële situatie worden aangesproken en niet op hun burgerschap, maar het is toch al een hele stap vooruit. De stap van ‘slachtoffer’ en ‘zielig’ naar ‘consument’ en ‘keuzevrijheid’ is een wezenlijke, omdat we door een andere bril leren kijken. Dat zie ik ook in de nieuwe Novib-campagne, waarin bekende Nederlanders als Katja Schuurman en Edwin Evers het opnemen voor eerlijke handel. En, net als Ali B, zijn dit nieuwe gezichten in het debat over ongelijkheid en armoede: nieuwe gezichten met een andere, verfrissende manier van communiceren.


Juni 2005

Angst en globalisering

Zijn Nederlanders bang voor de globalisering? Uit veel dingen blijkt dat we er juist een tamelijk kosmopolitische levenshouding op na houden, tenminste, afgemeten aan veel andere landen om ons heen. In de jaarlijkse Globaliseringsindex die we in dit nummer publiceren – met dank aan de collega’s van Foreign Policy – staan we als vanouds hoog genoteerd. En overal zien we nieuwe initiatieven waaruit blijkt dat de bekommernis om de wereld om ons heen groter is dan ooit: van bedrijven als TPG en het splinternieuwe samenwerkingsverband van de financiële sector en de overheid (NFX) tot aan de popband Krezip toe.

Het gesprek met zangeres Jacqueline Govaerts (op pagina 34) is fascinerend, juist omdat zij, als niet bepaald geboren en getogen ‘do-gooder’, op een heel prettige, menselijke manier inconsistent is – en daar helder over praat. De bekommernis met de ons omringende wereld is groter dan ooit, of we daar nu heel bewust voor kiezen of niet. Dat blijkt ook uit het rapport Geven in Nederland, dat recent verscheen en op pagina 11 wordt behandeld. En het artikel over de ’talent-drain’ van voetballers uit arme landen die steeds vaker aanspraak kunnen maken op een westers paspoort, laat zowel aardige als zwarte kanten zien van de globalisering.

Intussen signaleert onze nieuwe medewerker Ralf Bodelier, auteur van het globaliseringsboek Bomen hebben wortels, in zijn beschouwing bij het artikel over de Globaliseringsindex dat wij Nederlanders juist een beetje bang zijn voor dit fenomeen, en dat we het liefst een muur om ons landje zouden bouwen. Een interessante visie, waarover je zeker op onderdelen met de auteur van mening kunt verschillen – ik doe dat tenminste wel. De angst voor verlies van het eigene, en van het recht op zelfbeschikking maakt ons misschien een beetje kopschuw. Zoals in zoveel andere kleine, maar nog veel armere landen dan het onze, die niet zitten te wachten op een externe materiële en culturele vloedgolf. Maar is een stem tegen bijvoorbeeld de Europese Grondwet tevens een stem vóór de xenofobie? Ik dacht het niet. Het debat is nog lang niet ten einde, althans niet in onze kolommen.


Juli/augustus 2005

Doorbraak

Net op het moment dat we de allerlaatste hand leggen aan deze dubbeldikke zomereditie van OnzeWereld melden de media dat de rijkste landen de schulden van achttien arme landen volledig hebben kwijtgescholden. Alles, in één klap. Deze achttien kunnen met een schone lei aan hun toekomst gaan werken. Dat is groot nieuws, waarvoor we normaal gesproken graag een paar pagina’s inruimen. Maar ja, de deadline zit ons dwars, dat lukt niet meer. Ik werd wel direct gebeld door BNR Nieuwsradio om in de studio mijn bescheiden licht te laten schijnen over deze zaak.

Was dit eigenlijk wel een echte doorbraak? En niet gewoon een loos gebaar, omdat die landen hun schulden toch nooit meer zouden kunnen terugbetalen? En was het ook niet slechts een druppel op een gloeiende plaat? Allemaal waar natuurlijk, tot op zekere hoogte. En ontnuchterend ook, zo’n gesprekje met kritische collega’s van andere media. Nee, de armoede in Afrika zal hier niet door verdwijnen. En het wegstrepen van schulden garandeert nog niet dat het uitgespaarde geld aan gezondheidszorg en onderwijs wordt besteed. Dat heeft het verleden ons wel geleerd.

Toch noemde ik achter die BNR-microfoon de kwijtschelding een belangrijke doorbraak. De maatregel is namelijk vastgeklonken aan allerlei voorwaarden die moeten garanderen dat de regeringen hun geld verstandig gaan investeren. De kwijtschelding is daarmee vooral een economische ingreep.

Het besef dat armoedebestrijding in de eerste plaats een economisch proces is, ligt ook verankerd in de gedachte achter de Business in Development-prijsvraag. Met bijna achthonderd inzendingen uit de hele wereld mag dit Nederlandse initiatief gerust een waanzinnig succes worden genoemd. Wie naar de winnaars kijkt (vanaf pagina 22) zal, net als wij, onder de indruk raken van hun ondernemingsgeest, durf en creativiteit. De grote man achter dit project, NCDO’er Thierry Sanders, stelt en passant een prikkelende vraag. Hebben traditionele armoedebestrijders als de ontwikkelingsorganisaties eigenlijk wel genoeg deskundigheid in huis om, concreet, vanaf de grond, economische processen te begeleiden en verbeteren? Een moedige vraag, die in OnzeWereld niet onbeantwoord zal blijven. Tot na de vakantie.


September 2005

Uitsluiting

Wat is armoede? Een simpele vraag, maar is het antwoord ook eenvoudig? Een klein berichtje in deze OnzeWereld (‘Misplaatste hulp’, pagina 7) geeft een interessante kijk. We denken dat armoede vooral het ontbreken van voorzieningen is, zoals onderwijs, schoon water, gezondheidszorg. Geld kan dan het verschil maken. Het artikeltje gaat over armoede in Nederland, en wat blijkt? Dat armoede niet zozeer de afwezigheid van geld is, of van allerlei noodzakelijke of minder noodzakelijke voorzieningen, maar dat armoede vooral ‘uitsluiting’ is, op sociaal en maatschappelijk vlak. Wie niet kan meedoen in zijn eigen samenleving, díe is pas arm.

We maken bij de armoedebestrijding in Nederland vaak dezelfde fouten als bij de armoedebestrijding in de Derde wereld, zo blijkt. ‘De bedoelingen zijn goed’, lezen we, ‘maar er wordt te weinig naar de arme mensen zelf geluisterd.’ Waar hebben we dat eerder gehoord? Als je armoede wilt aanpakken moet je precies weten wát je wilt bestrijden. Als je ervan uitgaat dat armoede het ontbreken van allerlei voorzieningen is, dan doe je heel andere dingen met je geld dan wanneer je armoede definieert als ‘uitsluiting’.

Met deze bril op de neus kijken we in dit nummer naar de inmiddels alom heilig verklaarde Millenniumdoelstellingen: een lijstje van concrete doelen waarmee we in 2015 de armoede in de wereld willen halveren. Niemand kan tegen zo’n prachtig plan zijn. Maar gaat het niet voorbij aan de werkelijke redenen van armoede in de wereld? Worden die diepere oorzaken wel aangepakt?

Met diezelfde eigenwijze bril op hebben we de Amerikaanse visie op armoedebestrijding eens bekeken. Het beleid van Bush, in onze omgeving steevast verguisd, zet vooral in op het bestrijden van ‘uitsluiting’. En dan met name economische uitsluiting: geef de mensen de kans hun boterham te verdienen, bestrijd bureaucratie, geef ruimte aan de vrije markt, en dwing regeringen om hun land fatsoenlijk te besturen. Pas dan zullen ook de stapels hulpdollars komen. De ‘Barmhartige Samaritaan’ is niet bang keiharde eisen te stellen, de ontvangers moeten er heel wat voor doen en laten. Tegelijk worden de eigen economische en politieke belangen in de gaten gehouden. Dan wordt armoedebestrijding een tweesnijdend zwaard. Is dat erg?


Oktober 2005

Burgerjournalisten

De narigheid in New Orleans heeft duidelijk laten zien dat de grenzen tussen arm en rijk, tussen ‘erbij horen’ en uitgesloten zijn, niet meer langs de vertrouwde lijnen lopen van noord en zuid, van het Westen hier en Derde wereld daar. Arm in Amerika heeft misschien wel andere uiterlijkheden dan arm in ‘het Zuiden’, maar de overeenkomsten zijn minstens even treffend. De armen in de VS hebben weliswaar meer dan een dollar (of twee) per dag te besteden, maar ze lijden even hard onder uitsluiting en een onzichtbaarheid die alleen door rampen eventjes wordt opgeheven.

New Orleans was interessant om nog een andere reden: de media. Beter gezegd: de manier waarop gewone burgers zélf de media werden. Tientallen weblogs van mensen in en nabij New Orleans hielden de buitenwereld van minuut tot minuut op de hoogte van wat zich daar werkelijk afspeelde. De reguliere media staken er maar bleekjes bij af. Het nieuws op de weblogs was niet onafhankelijk, niet geprofessionaliseerd, niet afstandelijk en afgewogen, maar met grote betrokkenheid, doordrenkt van emotie en kleurrijke details, en met meer begrip van lokale omstandigheden dan je normaal voorgeschoteld krijgt. En bovenal was het integer. Dus, voor mij tenminste, net zo betrouwbaar als gewone media, misschien zelfs betrouwbaarder.

Burgers als journalisten, dat is het geheim van weblogs, de grootste mediarevolutie sinds internet. En wij? Als redactie volgen we de opkomst van de mondiale burgerbeweging op de voet. Het wordt tijd dat we die burger ook als journalist in ons blad toelaten. Daarom doen we een oproep aan onze lezers: vertel ons het verhaal dat dit jaar de Nederlandse media had moeten halen, maar dat ‘on-verteld’ bleef. De winnaar gaat, met ons, dat artikel alsnog maken.

Bovendien staat onze rubriek Straat vanaf heden open voor nieuwsfoto’s die, waar ook ter wereld, door lezers werden gemaakt van gebeurtenissen die het vermelden waard zijn. Ook in dit nummer: columnist Stephan Sanders gaat uitgebreid op een aanklacht uit ons publiek in, die misschien wel door duizenden lezers wordt gedeeld. Dat was niet gepland, meer een gelukkig toeval. Laat eens wat van u horen. We luisteren.


November 2005

Mode

We staan er niet zo vaak bij stil, maar globalisering heeft ook veel leuke kanten. De nadruk ligt in dit blad vaak op scheve economische en politieke verhoudingen. Dan lijkt het al gauw of globalisering altijd foute boel betekent voor de minder rijken op deze aardbol.

Gelukkig is dat beeld een beetje eenzijdig. In deze editie laten we een andere kant zien: die van cultuur. Vergeet het mopperige protest tegen de zogenaamde McDonaldisering van de eetcultuur. Het succes van McDonald’s – en van andere grote westerse voedselmerken als Nestlé en Danone – is slechts een klein aspect van de gastronomische globalisering.

Wie staat er nog bij stil dat de grootste winnaar van de eetglobalisering ongetwijfeld Italië is? De Italiaanse keuken is overal ter wereld sterk vertegenwoordigd, en wie zou zich daarover willen beklagen? Ik alvast niet.

Een ander misverstand is dat culturele globalisering een soort eenrichtingsverkeer is van het rijke Westen naar de armere rest van de wereld. Niets is minder waar, zoals de beeldreportage in dit nummer aantoont.

Naar aanleiding van de expositie Global Fashion/Local Tradition in het Utrechtse Centraal Museum laten we op acht pagina’s zien dat er juist op cultureel vlak geen sprake is van imperialisme, maar, integendeel, van wederzijdse nieuwsgierigheid.

De tentoonstelling laat scherp zien dat juist in de culturele globalisering de westerse dominantie afwezig is. Ontwerpers die etnische, lokale invloeden een centrale plaats weten te geven in hun mode doen het juist veel beter dan degenen die het westerse modebeeld navolgen. Westerse en niet-Westerse invloeden zijn hier nevengeschikt, het één versterkt het ander, en het resultaat is meer dan een gewone optelsom.

Was het op economisch en politiek vlak ook maar zo eenvoudig. Daar regeren nog steeds de door het Westen gedicteerde oplossingen. Culturele globalisering toont aan dat respect voor – en een goed begrip van – lokale invloeden en omstandigheden wezenlijk zijn voor het welslagen van globalisering.

Op economisch en politiek vlak dringt dit ook langzaam maar zeker door. Op dit terrein kunnen politici en economen nog heel wat leren van modeontwerpers en andere kunstenaars.


December 2005/januari 2006

Goede voornemens

Niet zo lang geleden gaf iemand mij het boek How to be good van de Britse schrijver Nick Hornby. Typisch zo’n vraag die interessanter wordt naarmate je er langer over nadenkt. Hoe kun je een goed mens zijn, voor je naaste omgeving en voor de wereld waarin je leeft? We zitten hier in het Westen in de luxe positie dat we een verschil kunnen maken. Doen we dat ook? En als we iets ondernemen, hoe staan we daar dan tegenover? Hebben we wel eens spijt van een gift? Geef je geld aan goede doelen? Ook aan de zwerver op de hoek? Of anders: je ergert je aan al die bedelbrieven? Nu we het er toch over hebben: weet u eigenlijk wel hoeveel geld de overheid elk jaar namens ons, Nederlanders, uitgeeft aan ontwikkelingshulp?

Het pocketje van Hornby was, kortom, de inspiratiebron voor een enquête die we in deze dubbele wintereditie van OnzeWereld lanceren. De vragen kunt u (tot maandag 12 december) invullen via onze website. Daarnaast ondervraagt het onderzoeksbureau nog honderden willekeurige Nederlanders naar hun ‘goede gedrag’. Onder het motto ‘doe je wel genoeg voor een betere wereld?’ komen de resultaten uitgebreid aan bod in het volgende nummer. Het is, denk ik, een mooie gelegenheid om in de donkere dagen voor de kerst eens even stil te staan bij de vraag welke goede voornemens u voor 2006 maakt. En wat kwam er eigenlijk terecht van de voornemens van de vorige jaarwisseling?

Een van onze goede voornemens kan ik al verklappen: we gaan u, de lezer, nog meer betrekken bij het samenstellen van dit tijdschrift. Niet omdat we zelf niks kunnen bedenken (verre van dat), maar we weten dat velen van u zich verbonden voelen aan een regio, een volk, of een bepaalde thematiek. Dat blijkt wel uit de reacties op de oproep om uw eigen ‘vergeten verhaal’ in te dienen. De reportage met de winnende lezer verschijnt in het maartnummer. Blijf intussen nadenken over úw ‘vergeten verhaal’. We willen het graag weten. Tot in het nieuwe jaar.


Februari 2006

Betere wereld

Wat doe jij voor een betere wereld? Het is een vraag die je eerder aan jezelf stelt dan aan iemand uit je omgeving. Immers, het antwoord gaat alleen jou aan. De redactie wilde wel eens weten hoe ‘wij’ op deze vraag reageren en liet een nationale enquête houden. De resultaten worden uitgebreid belicht (zie pagina 20).

Wat valt op? Dat veel mensen hun vertrouwen in het werk van de hulporganisaties een beetje kwijt zijn. Mensen willen heus wel geven aan het goede doel, en veel ook. Dat is het niet. Maar ze twijfelen aan de effectiviteit van de organisaties die zich met die goede doelen bezighouden. Er zijn vragen over de werkwijze. Er is ergernis over al die bedelbrieven die we in de brievenbus krijgen. En komt het geld wel goed terecht? Blijft er niet te veel aan de strijkstok hangen? Waarom reageren de organisaties vaak zo vaag op simpele vragen als: wat hebben jullie precies bereikt?

Dat het wantrouwen bestaat, is geen nieuws meer, maar de antwoorden op de OnzeWereld-enquête zetten dat gevoel in een nieuw, helder licht. Waarbij ook opvalt dat onder Nederlanders veel misvattingen bestaan over de hulpsector en de hoeveelheid geld die erin omgaat… En u, lezer, bent, als ik het even simpel mag samenvatten, een beetje… naïef. Zelfs nog wat naïever dan de gemiddelde Nederlander.

De resultaten en effectiviteit van hulp staan ook centraal in een ander artikel in dit nummer, een reportage die ik maakte in Soedan naar aanleiding van het vijftigjarige jubileum van Novib. Het artikel over het verleden en heden van hulp, en de manier waarop Novib in dit moeilijke land probeert te functioneren, kwam niet geheel zonder strubbelingen tot stand. Het stuk wil een evenwichtig, integer beeld schetsen van hulp anno 2006 en stelt een paar voorzichtige vragen. Maar nogal wat Novib-mensen vinden het een eenzijdig en ‘zuur’ verhaal. Wie heeft gelijk?
Oordeel zelf en laat ons weten wat u vindt.


Maart 2006

Zelfstandig

Dit is een heel speciaal nummer. In uw handen ligt de eerste uitgave van de stichting OnzeWereld Media. Deze nieuwe stichting is in het leven geroepen om het draagvlak te versterken voor media zoals wij, die betrokken, onafhankelijke journalistiek bedrijven over thema’s als eerlijke globalisering en armoedebestrijding. De belangstelling voor deze onderwerpen groeit, de behoefte aan een onafhankelijk tijdschrift over dit soort zaken zal de komende jaren verder toenemen, denken wij. En dus heeft Novib ons, een jaar vóór ons vijftigjarige jubileum, als uitgever losgelaten, en overgedragen aan een stichting. In die stichting hebben naast Novib ook ICCO, Cordaid en Hivos zitting. In de toekomst kunnen ook andere instellingen tot ons bestuur toetreden die onze uitgangspunten onderschrijven.

Ik leg dit graag even uit, want een misverstand is gauw gewekt. Nee, we worden dus niet overgenomen door vier grote hulporganisaties, en nee, we raken onze redactionele onafhankelijkheid niet kwijt. De stichting zal naast OnzeWereld ook andere mediaprojecten kunnen aanpakken op het terrein waarop we goed zijn ingevoerd. Voor het eerst staat OnzeWereld op eigen benen. Dat is, voor een bijna-vijftigjarige, even wennen. De afgelopen maanden hebben we afscheid genomen van onze vertrouwde omgeving, veilig bij een grote uitgeverij. We zitten nu in een leuk klein pandje, op onszelf, en we werken met een andere drukker, een nieuwe lithograaf, een nieuw verzendhuis, en een andere websitebouwer. Er is, kortom, veel omgewoeld en ondersteboven gehaald, de afgelopen tijd. Dat geeft onrust, maar het is ook een buitenkans, een mooi moment om oude, vertrouwde zekerheden ter discussie te stellen en nieuwe mogelijkheden te onderzoeken.

Datzelfde doet ook Novib. Vijftig jaar geleden stond de jonge priester Simon Jelsma met zijn ‘pleinpreek’ aan de wieg van Novib. Naar aanleiding van het jubileum en de naamswijziging hebben we Simon, inmiddels ver in de tachtig, een pleinpreek voor 2006 laten schrijven voor dit nummer. En dan blijkt dat sommige dingen nooit veranderen: het belang van compassie, lef, echte betrokkenheid, idealen… Het blijft een goede raad: voor Novib, voor u, en ook voor ons.


April 2006

Samenwerken met Hamas

Effectiviteit van hulp, het was in het artikel over vijftig jaar Novib en Soedan (in het februarinummer) al een centraal thema, en dat is het in dit nummer opnieuw. We zijn er voorlopig nog niet over uitgeschreven, al was het maar omdat het publiek geen genoegen meer neemt met mooie voornemens, maar resultaten wil zien. Of wil weten waarom de dingen soms níét lukken. En, op zijn minst, wil horen wát er nu eigenlijk precies gebeurt, wat niet, en waarom dan niet.

In de Palestijnse Gebieden is een beweging gekozen die is geworteld in geweld, Hamas. Maar die ook, naast dat geweld, een sociaal gezicht heeft. Kun je als Westerse hulporganisatie wel samenwerken met zo’n club? Mag je een organisatie die de ondergang nastreeft van een buurland, steunen? En zo ja, hoe dan? Het zijn lastige vragen, die horen bij het werken in lastige gebieden. In dit nummer pleiten deskundigen voor samenwerking met Hamas. Met goede argumenten, zo lijkt het.

Maar kijk dan eens naar Soedan, dat wordt al decennia geregeerd door een corrupt en gewelddadig regime. Daar zijn talloze organisaties, ook Nederlandse, al vele jaren actief met budgetten van honderden miljoenen euro’s. Daar is het impliciet meewerken met een fout regime al een ingesleten patroon waar hulpverleners soms niet meer bij stil lijken te staan.

Wat is wijsheid? Over effectiviteit gaat het ook in het artikel over de recente ontwikkelingen bij de Samenwerkende Hulporganisaties (SHO), die gezamenlijk tientallen miljoenen ophaalden na de tsunami. Ruim een jaar later is een groot deel van het geld nog niet besteed. Nieuwe cijfers, die hier voor het eerst naar buiten worden gebracht, geven aan dat de meeste organisaties veel minder geld hebben uitgegeven dan ze hebben gesuggereerd. Te veel geld te snel willen uitgeven is niet effectief en het versluieren van die cijfers is slecht voor de geloofwaardigheid. Lastig. Artsen zonder Grenzen stapte uit het samenwerkingsverband, om precies die reden: liever geloofwaardig ‘nee’ zeggen tegen een zak met geld, dan met dat geld in de maag blijven zitten en dat niet goed kunnen uitleggen.


Mei 2006

‘Meten is zweten’

‘Meten is zweten’ luidt de kop boven een artikel in dit nummer van OnzeWereld over de effectiviteit van hulp. Want meten is voor de Nederlandse hulporganisaties en hun buitenlandse partners vooral een bloedeloze, verbureaucratiseerde, ambtelijke bezigheid, zo begrijp ik. Iets wat veel tijd kost en wat tamelijk hulpeloos probeert het onmeetbare meetbaar te maken. Zweten dus, want het moet: van de overheid. Wie niet kan aantonen hoe effectief het geld is besteed, kan er voortaan naar fluiten. Dat is het geluid dat we vaak horen, en dat in april ook door de commissie-Dijkstal is geventileerd.

Opvallend is het wel. Overal in de wereld zijn instellingen druk doende om te proberen de gevolgen van de miljardenhulp aan de armen te meten. Dat is belangrijk, want pas als je de effecten van je inspanningen in kaart brengt, kun je bijsturen, corrigeren, verbeteren en daarmee: beter je werk doen. Het rapport, waar ons artikel op is gebaseerd, doet daar juist nogal luchtig over. Vreemd, omdat deze Hollandse beweging zo duidelijk ingaat tegen de mondiale trend.

Nu schijnt het zo te zijn, hoor ik van betrokkenen die terwijl ik dit schrijf, zwetend proberen hun cijfertjes rond te krijgen, dat de Nederlandse meetsystemen onwerkbaar zijn. De lange cijferlijsten zijn op drijfzand gebaseerd, en roepen daardoor – ook als ze naar waarheid worden ingevuld – een ‘papieren werkelijkheid’, een schijnwereld op.

Kan dat niet anders? Ja, toch wel. Een deskundige noemt de effectmeting van de Nederlandse overheid ‘een primitief puntensysteem’. In landen om ons heen, die relatief minder besteden dan wij, gaat dat anders. Wetenschappelijker. Zakelijker. Nederland weet nauwelijks iets van die buitenlandse meetmethodes, stelt onze deskundige vast. Opvallend: juist de nuchtere zakelijkheid die zo bij ons lijkt te horen, laat ons in de steek als het om ‘goed doen’ gaat.

De trend gaat de andere kant uit: mensen die hun geld geven, willen dat graag blijven doen maar vragen steeds nadrukkelijker om transparantie en heldere resultaten.


Juni 2006

Sport

Toen minister Pronk in het begin van de jaren negentig ontwikkelingsgeld uit trok voor de opbouw van het nationale voetbalelftal van Zambia, leidde dat tot Kamervragen. Konden we onze belastingcenten soms niet beter besteden? Wat had voetbal in vredesnaam met ontwikkeling van de Derde Wereld te maken? Helemaal niks, toch?

Ik lees dit in het artikel van collega Marc Broere over de rol van voetbal (en voetballers) voor een betere wereld. Marc weet veel over dit onderwerp: sport is zijn tweede (of misschien wel eerste?) grote liefde op professioneel vlak. En in combinatie met zijn andere grote liefde op dit terrein, de sector van ontwikkeling en Derde Wereld, heeft dat jaren geleden al geleid tot een standaardwerk. Zijn boek Afrika voetbalt gaf, al in 1996, aan hoe belangrijk voetbal kan zijn voor ontwikkelingslanden. Sport is een brug naar een andere wereld, het kan een belangrijke impuls geven aan gevoelens van verbondenheid met anderen, over werkelijke, culturele of politieke grenzen heen. Het overbrugt verschillen en versterkt tegelijk de eigenheid. Het emancipeert. En misschien het belangrijkste: het maakt verschillen tussen rijk en arm onbelangrijk.

Vandaag de dag twijfelt niemand nog aan het belang van voetbal. Tien jaar na Afrika voetbalt verschijnen aan de lopende band boeken met titels als De wereld is een voetbal en How Soccer Explains the World. Anno 2006 zou Pronk zich niet meer hoeven te verdedigen voor wat tien jaar geleden nog een daad van misplaatst hobbyisme leek.

In juni wordt in Duitsland het Wereldkampioenschap voetbal gehouden, de aanleiding voor ons artikel. Het is een goede gelegenheid om eens uit de doeken te doen wat er zoal onder de vlag van voetbal wordt gedaan voor een betere wereld. Inspirerend, ook voor de voetbalhaters onder ons, denk ik. En hoe het WK-feest in Duitsland deze maand ook eindigt, het zal een troost zijn te weten dat wij Nederlanders wereldwijd pionieren op dit vlak. Dus hoe het verder ook afloopt op de Duitse velden, we zijn toch al een beetje wereldkampioen. Een fijn gevoel.


Juli/augustus 2006

Anders kijken

Het is zomer, we trekken er weer op uit. Velen van ons reizen naar landen waar de lokale bevolking het (heel) wat minder breed heeft dan hier. Het contact met de ander lokt, want een ontmoeting met mensen in een andere samenleving geeft betekenis aan ons eigen bestaan. Het biedt voedsel voor bespiegelen en vergelijken, dus naar jezelf kijken. Wie wel eens in een all-inclusive-vakantieomgeving heeft gezeten, weet hoe dodelijk saai zoiets kan zijn. Omdat het juist de onverwachte dingen en de ontmoeting met de anderen zijn, die een vakantie gedenkwaardig maken. Ontmoetingen met mensen die vaak met bewonderenswaardige energie en optimisme hun eigen leven proberen vorm te geven, ondanks alle moeilijkheden. Dat spreekt me aan. Ik stoor me aan misstanden, vervuiling, bittere armoede, onrecht – iedereen doet dat, denk ik. Maar die negatieve gevoelens leggen het vrijwel altijd af tegen andere sentimenten: bewondering, nieuwsgierigheid, respect, interesse.

In dit nummer legt reiziger/schrijver Tommy – Joe Speedboot – Wieringa uit hoe dat bij hem werkt. Zijn beleving is op veel punten anders dan de mijne, maar op één aspect niet: we voelen ons niet schuldig – al ontslaat ons dit niet van de plicht om iets aan situaties te willen verbeteren.

Anders kijken naar ‘de armen’, dat thema komt in dit zomernummer op diverse manieren terug. Zo zijn de armen van de wereld vaak niet zó arm dat ze helemaal niks kunnen kopen. De groep van arme consumenten wordt snel ontdekt door het bedrijfsleven: vier miljard mensen, of tenminste een deel van hen, kunnen geld uitgeven aan producten die hun leven meer kwaliteit geven. We zochten een aantal spulletjes bij elkaar die speciaal voor deze nieuwe consumenten zijn ontwikkeld en in arme landen worden vervaardigd, zodat daar de bedrijvigheid kan groeien en er meer banen komen.

Groeiende welvaart brengt ook de Chinezen nieuwe keuzemogelijkheden. Voor het eerst kunnen ze met vakantie in eigen land – wat een prachtige reportage opleverde. Geniet, als deze Chinezen, van de ‘Gouden Weken’ zoals daar de vakantieperiode heet. Tot september!


September 2006

Buurman

Het besef dat de wereld eigenlijk niet meer is dan een groot dorp, is nooit sterker dan na een reis. Velen van u zijn, net als ik, net weer terug uit het buitenland. Wat dan opvalt is het gemak waarmee we tussen ver weg en dichtbij manoeuvreren. De wereld van dichtbij, zeg Noord-Europa, kan soms even verbazingwekkend zijn als een ontmoeting met een willekeurige samenleving ver weg. Het ‘rare jongens, die Romeinen’ van de Asterix-strips blijkt dan, verrassend genoeg, net zo goed van toepassing op Britse toeristen die we in onverwacht grote aantallen tegenkwamen op onze vakantiebestemming, als op de bewoners van streken waarvoor we de halve wereld zouden hebben moeten afreizen. Soms ontmoet je buren die vreemd voor je blijken te zijn, en net zo vaak sta je oog in oog met mensen uit verre regio’s met wie je jezelf heel gemakkelijk kunt verbinden.

Dat raadsel klinkt ook door in het artikel van Kor Goutbeek over mondiaal ‘nabuurschap’. De website www.nabuur.com, het initiatief van Siegfried Woldhek, draait na vier jaar op rolletjes.

Hoewel… Hoe eenvoudig is het om je als betrokken buurman te melden bij het tuinhekje van een Oegandees die schoon water voor zijn dorp wil? Heeft die man iets aan jouw goedbedoelde aanbod? Hoe kun je een echte bijdrage leveren? Niet eenvoudig, zo blijkt. Maar is dat erg? Zoals het met echte buren gaat, zo werkt het blijkbaar ook op mondiale schaal: niet zozeer het leveren van specifieke deskundigheid is gewenst, maar het laten zien van echte betrokkenheid: hier sta ik, wat kan ik voor je doen?

Of dat uiteindelijk voldoende blijkt te zijn, is alleen te zeggen door de buren zelf. Zelfs al heeft je betrokkenheid niet concreet een oplossing dichterbij gebracht, misschien brengt je zichtbare verbondenheid met anderen iets belangrijkers tot stand. Het besef, bijvoorbeeld, dat we allemaal buren zijn, die soms wel – maar vaak ook niet echt iets voor elkaar kunnen betekenen. Dat het niet altijd kan, is niet erg. Belangrijker is het besef dat die verre vriend eigenlijk gewoon een buurman is.


Oktober 2006

Zachte waarden

Kan één man of vrouw het verschil maken? We hopen allemaal van wel, natuurlijk. Maar hoe reëel is die hoop? Of is de wens de vader van de gedachte?

Dit voorjaar had ik een fotograaf op bezoek uit Bangladesh, GMB Akash. Een jonge vent met vrouw en baby thuis in Dhaka, die hard aan zijn carrière werkt en veel voor buitenlandse bladen werkt. ‘Akash’ – zijn voornaam gebruikt hij nooit – was in Nederland vanwege World Press Photo. Akash had een prijs gewonnen en de vergoeding van de organisatie was wel voldoende voor zijn vliegreis, maar niet voor veel meer. En dus logeerde hij bij mijn gezin. En terwijl we over de Vrijmarkt in Utrecht liepen en tussen de mensenmassa door schoven, vertelde hij me het verhaal achter de prijswinnende foto. Het beeld van de textielarbeider, een jongetje, die een klap krijgt met een stok van een man, was niet zomaar vanzelf tot stand gekomen. Maar bovendien was Akash, alleen al door het eenvoudige feit dat hij die foto daadwerkelijk had gemaakt en gepubliceerd, iets anders geworden dan louter fotograaf. Hij werd onbedoeld – maar niet ongewild – de hoofdrolspeler in een actueel sociaal debat in zijn land, iemand die de loop van de dingen verandert.

Hier, in het Westen, doen fotografen hun werk en verdwijnen dan weer, terwijl ze hun ‘slachtoffers’ achterlaten zoals ze hen aantroffen. Akash kan zich dat niet permitteren en trouwens, dat zou hij niet eens willen. Hij ziet zichzelf als een ‘change agent’, zeker niet als kunstenaar. Als zodanig heeft hij meer gemeen met de fotografen die hier in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw de misstanden onder kleine boeren en arbeiders in beeld brachten, dan met veel van zijn hedendaagse vakgenoten.

Aandacht voor het menselijke en het kleine, dat is ook wat centraal staat in het artikel over ‘culturele noodhulp’. De zachte waarden van cultuur met een kleine ‘c’ zijn misschien wel duurzamer en concreter dan vele bekende soorten ‘hulp’. Mensen leren weer trots te zijn op hun muziek en hun kerken. Ze zien hun kinderen weer tekenen en knutselen. Het is kleinschalig, er zit geen geopolitieke visie achter, maar het maakt gelukkig en geeft zelfvertrouwen. Misschien is dat wel belangrijker dan de aankondiging van het zoveelste grootschalige miljoenenhulpproject.


November 2006

Zelfvertrouwen

Als u dit leest zijn de gemoederen in de Nederlandse wereld van de hulp juist weer enigszins bedaard. Tenminste, bij de meeste organisaties die zich inzetten voor bestrijding van armoede en onrecht. Sommige zijn nog aan het bijkomen van de klap, andere zijn nog steeds in staat van euforie.

Het ministerie heeft namelijk ruim twee miljard euro weggegeven aan de organisaties die in de ogen van de minister goed functioneren, geld waarmee ze de komende vier jaar hun werk kunnen voortzetten. De boel is aardig opgeschud, kan ik wel zeggen. In dit nummer kijken we naar de gevolgen van deze ‘gouden regenbui’ voor de betrokkenen en, niet onbelangrijk, voor de kwaliteit van de hulp.

Deze dans om de miljoenen liep voor mij zo’n beetje parallel aan een evenement van een heel andere orde, de BID Challenge. Dat is een vanuit Nederland opgezette, internationale prijsvraag voor creatief ondernemen tegen armoede. Die werd pas voor de tweede keer gehouden; de eerste keer werden niettemin al bijna achthonderd plannen van creatieve ondernemers uit de hele wereld ingediend, en deze keer waren dat er zelfs twee keer zoveel: 1600. Zestienhonderd uitgewerkte ideeën om in arme landen kleine bedrijfjes op te zetten die werkgelegenheid bieden, welvaart scheppen, mensen de kans geven op een toekomst. We zien het stimuleren van bedrijfjes pas sinds een paar jaar als een goed middel om iets te doen aan achterstand, armoede en uitzichtloosheid. De enorme dynamiek die uit deze hoek komt, werkt – hopelijk – aanstekelijk op de grote instellingen die al vele jaren bezig zijn met hun methoden om armoede aan te pakken.

Er zitten een paar goede lessen verscholen in de ideeën van de Derde wereld-ondernemers. Zoals deze: belangrijker dan geld is het aanboren van zelfvertrouwen van mensen die zelf iets kunnen en willen doen aan hun omstandigheden. Het opsporen en stimuleren van deze dynamiek levert veel meer op dan nieuwe bedrijfjes en arbeidsplaatsen. Het geeft mensen hoop en vertrouwen in hun eigen kunnen en in het vermogen om hun toekomst zelf in handen te nemen.


December 2006/Januari 2007  

Doen!

Dit is een bijzondere OnzeWereld. Een dubbelnummer, zoals u dat van ons gewend bent, maar met een gratis bijlage: ‘Mijn goede doel’. Daarin laten we honderd kleine goede doelen zien van mensen zoals u en ik, gewone Nederlanders die op een gegeven moment besloten dat ze iets moesten doen aan een misstand ergens in de wereld. Vaak was dat in een land waar ze toevallig verzeild raakten, met vakantie, op visite, op doorreis. De meesten rolden er min of meer toevallig in. Ze kwamen, zonder vooropgezet plan, in aanraking met medemensen in ellendige situaties en ze verbonden daar voor zichzelf een conclusie aan: hier ga ik iets aan doen.

Die energieke betrokkenheid is belangrijk, nog los van de concrete resultaten van dat werk. Het geeft aan dat de wereld klein is, en dat het echt mogelijk is om die te verbeteren. De sympathie voor dergelijke initiatieven klinkt ook door in de grote jaarlijkse enquête ‘Doe je genoeg voor een betere wereld’ die we de afgelopen weken hielden onder ruim duizend willekeurige Nederlanders en OnzeWereld-lezers (en die overigens nog tot eind november is in te vullen via onze website). De resultaten worden uitgebreid gepresenteerd in ons volgende (februari)nummer. Daar zien we dat de mensen duidelijk meer vertrouwen hebben in kleine organisaties dan in grote. Trouwens, ook op tv groeit de aandacht voor particuliere goede doelen. Op 30 december heeft de EO een grote televisieavond waarin het leukste ‘goede doel van het jaar’ wordt gekozen.

Intussen heeft OnzeWereld een erg druk jaar achter de rug waarin we veel tijd en energie hebben gestoken in onszelf: verzelfstandiging, een verhuizing, een nieuwe uitgeverij. Nu ontstaat er weer ruimte om er op uit te trekken. Het jaar 2007 wordt speciaal, want dan viert OnzeWereld haar vijftigjarige bestaan. Daar werken we nu al hard aan. U kunt nog veel van ons verwachten. Tot volgend jaar.


Februari 2007

Verbonden

Of u genoeg doet voor een betere wereld, was de vraag in onze jaarlijkse enquête waarvan we in dit nummer de resultaten en conclusies presenteren. Een beetje een moralistische vraag, geef ik toe. Wie zijn wij om mensen aan te spreken op hun goedgeefsheid? U vergeeft ons dat hopelijk, want we doen het om beter te kunnen begrijpen hoe u en wij in de wereld staan.

Er kunnen een paar interessante conclusies worden getrokken. Voorzichtig, dat wel, want de geest is veranderlijk en bovendien bestaat er zoiets als ‘voortschrijdend inzicht’: we stellen onze meningen na verloop van tijd gelukkig nogal eens bij.

De trendwatchers die elders in de media verkondigen wat het in 2007 helemaal gaat worden en wat niet, zeggen het ons na: de betrokkenheid van de Nederlander bij het wel en wee over de grenzen neemt sterk toe. De verbondenheid met mensen in andere culturen groeit, waarschijnlijk omdat we die culturen in deze tijd zo gemakkelijk kunnen leren kennen. Alles begint met het onder ogen komen van de ander, en daarbij speelt afstand een steeds kleinere rol. Net als andere obstakels als taal en welvaartsverschillen trouwens.

We begrijpen intuïtief dat mensen overal dezelfde basale dingen willen voor zichzelf en hun familie. Gezondheid, scholing, een zeker comfort, ruimte voor individualiteit in een veilige omgeving, keuzevrijheid, dat soort dingen. Deze groeiende verbondenheid gaat gepaard met persoonlijk idealisme. We willen zelf graag actief zijn, en daar ruilen we de acceptgiro steeds vaker voor in. Een andere interessante trend is dat na jaren van gepraat over de zegeningen van privatiseringen en vrije markten, de behoefte aan een strenge maar eerlijke overheid weer toeneemt.

De privatiseringsgolven hebben niet alleen in de Derde wereld, maar ook hier te lande veel onheil aangericht, en van het zelfregulerende vermogen van het bedrijfsleven zien we nog weinig terechtkomen. Voor de grote hulporganisaties geldt dat ze meer moeite moeten doen om hun keuzes helder voor het voetlicht te brengen. Dat laatste klinkt als een verstandig voornemen voor het nieuwe jaar. We zijn benieuwd.


Maart 2007

Inspiratie

Onze enquête ‘Doet u genoeg voor een betere wereld?’ die in het vorige nummer uitgebreid aan bod kwam, heeft nogal wat teweeg gebracht. De media zijn er bovenop gedoken, zoals dat heet. Ik was nogal verrast dat de kranten en diverse nieuwssites opnieuw gretig inzoomden op aspecten die ook al naar voren kwamen in onze eerste enquête, die we begin 2006 publiceerden. Ook toen bleek dat de meeste mensen kritisch staan tegenover de grote goededoelenorganisaties, vooral op het gebied van transparantie (vertellen wat er met het geld gebeurt) en op het vlak van fondsenwerving (irritatie over de manier waarop geld en donateurs worden binnengehaald). Ook dit jaar was dat kennelijk weer het belangrijkste nieuws.

Jammer is dat de aandacht voor allerlei andere, positievere zaken uit het onderzoek daardoor onderbelicht bleven. Zelf vond ik het bijvoorbeeld interessant dat de betrokkenheid van de Nederlanders bij ‘de rest van de wereld’ het afgelopen jaar sterk is gegroeid. En dat we een verbod willen op de verkoop van spullen die met kinderarbeid zijn gemaakt. En dat we er jaarlijks wel een miljard euro voor over hebben om fairtrade-productie een steuntje in de rug te geven. Ik ben dus, kortom, niet pessimistisch. In dit nummer hebben we een groot aantal reacties uit de sector verzameld.

Belangrijkste conclusie: ga beter communiceren met het publiek! We zullen, in heel 2007, veel aandacht blijven schenken aan de trends op dit gebied en aan die talloze initiatieven en ideeën om de kloof tussen ‘daar’ en ‘hier’ te verkleinen.

Dat we niet alleen staan werd me nog eens duidelijk bij het World Social Forum, waar ik vorige maand in Nairobi bij was. Ik zag daar ook iets wat we hier in Nederland misschien een beetje zijn vergeten: dat religie voor heel veel mensen nog steeds de belangrijkste inspirerende kracht is voor het werken aan een andere, betere wereld. Die rol van religie komt in dit nummer uitgebreid aan bod. Diverse videofilmpjes en artikelen over het World Social Forum zijn te zien en te lezen op onze website. Ze zijn, voor mij en hopelijk ook voor u, een probaat medicijn tegen opstekende vlagen van neerslachtigheid.


April 2007

Werken

Hoe belangrijk is het hebben van werk voor een gelukkig en bevredigend leven? Als je ziet wat mensen ervoor over hebben om zelfs maar een bescheiden baantje te veroveren, ligt het antwoord voor de hand: werk is van levensbelang. Wie niet werkt, zal niet eten, was het spreekwoord van onze grootouders, en het geldt nog steeds voor het grootste deel van de wereld.

Alweer een jaar of vijftien geleden heb ik meegewerkt aan een boekje over ondernemen met de toenmalige president-directeur van SHV, Paul Fentener van Vlissingen. Dit ‘Ondernemers zijn ezels’ gaf een eigenzinnige, soms wat spirituele en vooral ook duurzame kijk op het wezenlijke belang van ‘iets durven ondernemen’. Ik werd toen vooral getroffen door het besef dat duurzaam ondernemen niet zozeer een kwestie is van keihard werken en zoveel mogelijk geld willen verdienen, maar van zoeken naar manieren om dienstbaar te zijn aan de wezenlijke behoeften van mensen en samenlevingen.

Zo bezien zijn de Palestijnse ondernemers die in deze aflevering hun verhaal vertellen minstens even belangrijk voor de toekomst van de mensen in die verscheurde regio als alle hulpdollars en -euro’s die naar dat gebied stromen. Hetzelfde geldt voor het plan dat in een ander artikel wordt aangestipt, om Afrikanen die nu illegaal onze kant op komen, zowel ‘daar’ als ‘hier’ een helpende hand toe te steken: in de vorm van werk.

Vorig jaar overleed Paul Fentener van Vlissingen, een halfjaar nadat een lang interview met hem verscheen in dit blad: over armoede, Afrika en zijn initiatief African Parks. Ook toen onderstreepte hij het belang van het ‘aan het werk helpen’ van Afrikanen. Werk geeft niet alleen een financiële basis, het geeft zelfvertrouwen, het laat mensen in hun waarde. Het grote succes van African Parks geeft hem gelijk.

Vorige maand zag ik ‘Ondernemers zijn ezels’ weer in een boekhandel liggen, in grote stapels bij de kassa. Pauls visie op ondernemen is nog steeds actueel, zo blijkt. Oja, die titel. Waarom? Omdat ezels zich slechts één keer aan dezelfde steen stoten. Goede ondernemers kunnen dat ook: fouten durven maken en daar meteen iets van leren. Het lijkt mij een vaardigheid die in de armoedebestrijding heel hard nodig is.


Mei 2007

Keurmerk

Als we echt iets willen doen voor een betere wereld, moeten we niet stoppen na het geven van geld maar ook ons eigen gedrag aanpassen. Een eerlijke samenleving vereist eerlijke consumenten. Momenteel betalen we eigenlijk te weinig voor voedsel, kleding, en wat al niet. Dat weten we best, maar ja, het hemd is nader dan de rok. ‘Goed gedrag’ is lastig vol te houden als niemand erop let en als er geen beloning ligt te wachten voor de ijverigen onder ons.

Gisteren kookte ik voor mijn kinderen en had ik voor ieder van ons drieën een slavink in de pan gelegd. Vroeg mijn dochtertje: ‘Is dat wel biologisch vlees?’

‘Tuurlijk’, loog ik vlotjes. Geen zin om dat vlees in de afvalbak te kieperen of, nog erger, een discussie aan te gaan die ik bij voorbaat verlies. Nog lastiger wordt het voor kritische consumenten zoals mijn dochtertje en – vooruit – ikzelf, als de leveranciers van die producten zelf verwarring zaaien, zand in onze ogen strooien. We zijn omgeven door fabrikanten die er veel voor over hebben om de herkomst of duurzaamheid van hun producten te verdoezelen.

In dit nummer staat een gedegen onderzoeksartikel over het Centraal Bureau Fondsenwerving, bekend van het ‘CBF-Keur’. Dat keurmerk wordt gezien als een kwaliteitspredikaat, een stempel van goedkeuring voor de organisatie die geld bij donateurs werft voor haar goede doel. De werkelijkheid ligt nogal wat genuanceerder, zoals het verhaal aantoont.

In het interview dat we hadden met de vertrekkende Oxfam Novib-directeur Sylvia Borren klinkt ook het beroep op de ‘eigen verantwoordelijkheid’ van de rijke consument door. Ze heeft gelijk, natuurlijk: een eerlijke wereld begint bij je eigen gedrag, als consument, als burger, als kiezer. We maken allemaal deel uit van een keten van exploitatie, of we willen of niet. De zwaksten in die keten betalen de hoogste prijs. Dat zijn niet u en ik, maar de rechteloze, onderbetaalde en mishandelde mensen – vaak meisjes en vrouwen – die ergens in de wereld het vuile werk moeten opknappen. Of dat varken uit de bio-industrie, dat stiekem deel is gaan uitmaken van mijn blinde vinken. We weten het allemaal best, maar doen we er ook wat mee?


Juli/augustus 2007

Optimist

Dit is een bijzondere OnzeWereld. Naast de gebruikelijke dikte, een zomernummer dat twee maanden mee gaat, heeft deze editie een paar dingen die we in het licht van ons 50-jarig jubileum al een poosje op onze verlanglijst hadden staan.

Allereerst is daar een groot interview met Prinses Máxima. De prinses gaat in op iets wat haar zeer aan het hart gaat: de erfenis van haar schoonvader Prins Claus. Weinigen weten dat Máxima voorzitter is van de Prins Claus Leerstoel, die een podium biedt aan jonge, eigenzinnige wetenschappers die een frisse kijk hebben op ‘rechtvaardige ontwikkeling’ van de armsten in deze wereld. Máxima is daar opvallend intensief bij betrokken, zo blijkt uit het gesprek. Het moederschap heeft haar verbondenheid met de armen in de wereld nog versterkt. ‘De wereld redden is misschien een beetje ambitieus, maar wij doen ons best…’, zegt ze in deze OnzeWereld. En: ‘Ik blijf natuurlijk een optimist!’

Daarnaast krijgt onze columnist Stephan Sanders in dit nummer de ruimte voor een reportage in de stijl van ‘slow journalism’. Stephan ging naar Zuid-Afrika, naar de kleurlingengemeenschap van Kaapstad, om de positie van deze groep van binnenuit te beschrijven. Van binnenuit? Ja: Stephan, die altijd zeker meende te weten dat hij als adoptiekind zijn bloedbanden had in de Cariben, kwam er nog niet zo lang geleden achter dat zijn vader een Kaapse kleurling was. Hij verbleef drie weken in het land en leverde een prachtige reportage af. Het zal, met vijftien pagina’s tekst en meer dan 10.000 woorden, de langste geschreven reportage zijn in de geschiedenis van dit blad, vermoed ik.

En ten slotte nog iets anders. De redactie van OnzeWereld heeft vijftig jaar geluisterd naar iedereen die een bijdrage wilde leveren aan het einde van de armoede. Nu, bij ons jubileum, gaan wij zelf vertellen hoe het zit. We hebben negen teams aan het werk gezet die dé oplossing zullen aanreiken. Op de website kan de lezer tot medio oktober meelezen, meepraten, en een oordeel vellen. In oktober volgt dan de verkiezing van de beste oplossing. Klik op de banner ‘9oplossingen’ op onze site, of ga naar www.oneworld.nl/9oplossingen.


September 2007

Thuiskomen

De vakantieperiode is niet alleen een tijd van reizen en ontdekken, maar vooral van thuiskomen. Met ogen die inmiddels gewend waren geraakt aan vreemde omgevingen, kijk je naar je eigen vertrouwde plek en dan vallen dingen op die eerder ongemerkt bleven. Wat is het hier binnen toch flets. Die houten vloer mag wel eens worden geschuurd en opnieuw gelakt. En niet eerder sprong die zwartleren bank, een jarenlang trots bezit, zo in het oog als lichtelijk aftands. En wat doet al die rommel daar op de lange houten eettafel? Die frisse blik is snel weer weg, je ogen passen zich bij thuiskomst razendsnel aan.

Die nieuwe ogen zijn belangrijk, al was het maar omdat ‘anders kijken’ naar iets dat vertrouwd is, nooit lang duurt en trouwens ook lang niet iedereen gegeven is. Kijken is voor velen van ons toch vooral het registreren van dingen die we kennen en begrijpen, in plaats van het opmerken van iets nieuws.

Thuiskomen in oude, vertrouwde onderwerpen en er toch iets nieuws in ontdekken, door anders te kijken, dat is precies wat we proberen te doen met ons jubileumevenement: de ‘negen oplossingen voor de armoede’. Op de website www.oneworld.nl/9oplossingen zijn negen teams aan de slag gegaan om innovatieve, originele oplossingen uit te werken voor de armoede. De thema’s zijn bekend, maar de negen teams zullen met nieuwe blik moeten leren kijken. Alleen degenen die daarin slagen maken op 13 oktober kans op de hoofdprijs. Op pagina 9 is meer te lezen over ons jubileumevenement en de aanloop ernaartoe.

U, lezer, wordt van harte uitgenodigd mee te doen. Wie weet mag u straks mee met het winnende team, dat als hoofdprijs op reis gaat naar een plaats waar hun ‘oplossing voor de armoede’ al in de praktijk wordt gebracht. Reizen en dan zomaar thuiskomen in iets vertrouwds, dat is ook wat de beroemde schrijfster Lisa St Aubin de Terán overkwam, in een noordelijk kustplaatsje in Mozambique. We spraken daar met haar over dit nieuwe thuis, naar aanleiding van haar boek dat volgende maand verschijnt.


Oktober 2007

Feest

Achter de schermen van deze editie zijn we al een poosje hard bezig met de voorbereidingen voor ons jubileumfeest op zaterdag 13 oktober. Een voor ons wat onwennige bezigheid: sowieso zijn we niet ervaren in het opzetten van een groot feest. En daarbij doet zich natuurlijk de vraag voor of de stand van zaken in de wereld anno 2007 wel zoveel aanleiding geeft tot een feestje. Nuja, daar kun je heel verschillend over denken, met de mondiale doemtournee van Al Gore nog vers in het geheugen.

Los van dat knagende onbehagen is een feest wel degelijk op zijn plaats, denken wij. Een gouden jubileum is niet niks, zeker als het om een tijdschrift gaat dat zich al die tijd heeft ingespannen voor maar één ding: het vergroten van het begrip en de betrokkenheid van mensen hier voor hun soortgenoten in minder fijne leefomstandigheden. Het besef dat we werkelijk iets kunnen veranderen aan de omstandigheden van anderen loopt als een rode draad door onze vijftig jaargangen heen.

Het is dan ook het thema van ons jubileumnummer, dat voor deze ene keer eerder verschijnt (op het feest van de dertiende wordt het uitgereikt) maar ook nog eens dubbel zo dik is als normaal. Het jubileumnummer staat niet in het teken van problemen maar van oplossingen. Dat is een houding die u inmiddels wel van ons gewend bent. Negen teams zijn druk doende om negen oplossingen voor armoede uit te werken tot een overtuigende presentatie. Kijk maar eens op www.9oplossingen.nl.

Op het feest zal het publiek de ‘beste oplossing’ kiezen. En dat publiek, dat bent u! Alle lezers, oud of jong, jarenlang trouw of pas net proefabonnee: iedereen is welkom in de Westergasfabriek in Amsterdam. Kijk voor de details en het programma op pagina 9 en hou onze website in de gaten. Het belooft een groot spektakel te worden, een viering die ‘liefde voor de wereld’ zal uitstralen. Want zonder die emotionele verbondenheid wordt het niks.

En, zoals het bij een echte wedstrijd gaat, er wordt een winnaar gekozen – en misschien bent ú dat wel. Eén bezoeker mag met het winnende team mee op reis naar de plaats waar de geschetste oplossing al in de praktijk te zien is. Tot ziens op ons feest.


November 2007

Bij onze vijftigste verjaardag

Dit tijdschrift is ontstaan aan een keukentafel. De keukentafel van Ger van Vlijmen, om precies te zijn. Van Vlijmen was lid van de Pleingroep, een kleine groep mensen die de Nederlanders bewust wilden maken van de armoede in de wereld. Dat leidde in het hele land tot de oprichting van Novib-afdelingen. Van Vlijmen werd de eerste directeur.

Toen moest er ook een krantje komen. Televisie bestond nog vrijwel niet, en hoe kon je anders de aandacht vestigen op de slechte omstandigheden waarin de meeste medemensen hun leven moesten leiden? ‘Mijn vrouw heeft er nog de naam voor verzonnen,’ herinnerde Van Vlijmen zich later. ‘Met dit tijdschrift wilden we mensen confronteren met de ellende in ontwikkelingslanden. Het was een beetje preken, maar het onderwerp vróeg ook om preken.’

Nu zijn we vijftig jaar verder. U heeft het speciale bewaarnummer in handen waarmee OnzeWereld haar gouden jubileum viert. Wij, de redactie, bieden het u met trots aan.

Voor één keer hebben we een aantal vaste elementen uit het blad gehaald om ruimte te maken voor andere dingen. De negen teams die we enkele maanden geleden hebben samengesteld om met oplossingen te komen voor het armoedeprobleem, presenteren hier hun argumenten. Op de website www.9oplossingen.nl hebben we hun vorderingen kunnen volgen. Daar wordt straks ook het team bekendgemaakt dat volgens het publiek bij ons jubileumfeest op 13 oktober, het beste duidelijk kan maken waarom hun oplossing de belangrijkste motor is voor welvaart.

In wat voor wereld leven we? Dat hangt er maar van af waar je geboren bent – en wanneer. Vijftig jaar geleden was alles anders. Wie teruggaat in de tijd stuit op een belangrijke les. Een week nadat mijn vader geboren werd, in 1912, in een klein, arm Brabants boerendorpje, stierf zijn moeder aan een kraaminfectie. Diezelfde maand overleden nog vijf andere kraamvrouwen in datzelfde dorp aan dezelfde ziekte. Allemaal onder de handen van een en dezelfde arts uit een naburige stad – waarschijnlijk iets met slechte hygiëne of vervuild water. Kijk dan naar de toenmalige gemiddelde levensverwachting en zie: die Brabantse omstandigheden doen zich anno 2007 voor in Ghana.

In mijn geboortejaar 1955 ging het al een heel stuk beter: ik had bij mijn geboorte dezelfde levensverwachting als een Braziliaanse baby die nu het levenslicht ziet.

Toen mijn zoon geboren werd in 1994, was de wereld opnieuw verder. De Nederlandse cijfers van toen komen overeen met de huidige levensverwachting in Nieuw-Zeeland. En mijn dochter uit 1996? Zij had bij haar geboorte dezelfde kansen als het meisje dat nu wordt geboren in Zuid-Korea.

Mijn vader werd dus, figuurlijk gesproken, geboren in Ghana, ik in Brazilië, mijn zoon in Nieuw-Zeeland, mijn dochter in Zuid-Korea. En mijn arme grootmoeder, die aan een kraaminfectie stierf, werd geboren onder omstandigheden die zich anno nu voordoen in Oeganda.

Wat is de les? Met vrijwel alle landen in de wereld gaat het die ene goede kant op. Over tien, twintig of misschien wel vijftig jaar, zal de situatie in al die landen min of meer lijken op onze leefomstandigheden nu, hier. Wie zich verdiept in OnzeWereld stuit op positieve trends, belangrijke doorbraken, nieuwe mogelijkheden, kansen, optimisme, hoop. Natuurlijk bestaan ook de tegenslagen, het hardnekkige onrecht, de schijnbare uitzichtloosheid, het pessimisme, de wanhoop.

Desalniettemin gaat de wereld, ondanks alles, telkens weer een stapje vooruit. Over die stapjes gaat het in OnzeWereld. En ja, soms preken we – als dat moet. Dat was in de afgelopen vijftig jaar zo, en dat zal zo blijven.


December 2007/Januari 2008

Vluchtelingen

Dit is het laatste nummer van 2007, het voor ons zo gedenkwaardige jubileumjaar. Een gouden jubileum, dat op 13 oktober werd gevierd met een spetterend en uitverkocht feest in de Westergasfabriek in Amsterdam, waar rond de vijfhonderd lezers en andere belangstellenden bij waren.

Hoogtepunt? De, in aanwezigheid van minister Bert Koenders, spannende uitverkiezing van het team dat volgens het publiek met de beste oplossing voor de armoede op de proppen kwam. De teams die hun oplossingen presenteerden, werden in de weken voor het feest gefilmd bij een presentatie voor deskundigen. Deze negen filmpjes zijn te zien op de website www.9oplossingen.nl. Op pagina’s 12 en 13 een visuele terugblik op ons feest.

Het winnende team, Rechtvaardige Wereldhandel, schuift in dit nummer aan bij fairfood-kok Jan Naaijkens, die een belangrijke rol speelt in een speciale kerstaflevering van de rubriek Aanschuiven. Eerlijke handel en het recht op eerlijk voedsel, het zijn twee dingen die veel met elkaar te maken hebben.

In dit nummer besteden we ook uitgebreid aandacht aan de problematiek van vluchtelingen. Dankzij het grote mediaoffensief voor Darfur lijkt er enige belangstelling voor de vluchtelingen in die regio te komen. Maar de naar schatting 3 miljoen mensen die de afgelopen tien jaar in Colombia voor het geweld op de vlucht zijn geslagen, worden vergeten. Fotograaf Geert van Kesteren ging naar Colombia om daar, gedurende drie weken, hún levensomstandigheden in beeld te brengen. Dat leidde tot prachtige ‘slow journalism’, op meer dan twintig pagina’s.

Tegelijk gingen we in de Jordaanse hoofdstad Amman op zoek naar Iraakse vluchtelingen. Het zijn er bijna een miljoen, en toch zijn ze zo goed als onzichtbaar – de regering erkent hen niet, hulporganisaties mogen zich niet specifiek met deze groep bezighouden, en de Irakezen zelf blijven ook liever onopgemerkt, bang als ze zijn voor uitzetting. Een bijna Kafkaëske situatie.

Beide reportages kwamen overigens tot stand met steun van hulporganisaties. Die samenwerking had betrekking op financiële én praktische steun. Tegelijk heeft de redactie de volledige vrijheid gehad om onafhankelijk en naar eigen inzicht haar journalistieke werk te doen. We vinden dat u, lezer, er recht op heeft dat soort dingen te weten.


Februari 2008

Goed doen

De enquête ‘Doe je genoeg voor een betere wereld?’ die we inmiddels voor het derde jaar op rij hebben gehouden onder lezers en het algemene Nederlandse publiek, bevat ook deze keer weer een paar verrassingen. Ondanks kritische geluiden blijven we vertrouwen hebben in kleine goede doelen. En ondanks het feit dat de grotere hulporganisaties als Cordaid en Oxfam Novib op een kritischer houding van het publiek moeten rekenen, is de vertrouwensband nog steeds groot.

Toch verandert er iets in de manier waarop we goed willen doen. We gaan, zo beloven we, méér producten uit ontwikkelingslanden kopen. Tegelijkertijd zetten we grote vraagtekens bij het bedrag dat we met z’n allen elk jaar aan overheidsgeld in armoedebestrijding steken. Dat bedrag, meer dan 4 miljard euro, is nog exclusief alle particuliere donaties aan grote organisaties, zoals Cordaid, of aan de kleintjes, zoals de stichting van de overbuurvrouw die een schooltje in Nepal steunt. Volgens een kleine meerderheid van het Nederlandse volk kan die 4 miljard euro zelfs worden gehalveerd.

Het geeft aan, denk ik, dat de meeste mensen twee soorten oplossingen zien: allereerst noodhulp aan mensen die het echt nodig hebben, en ten tweede eerlijke handel, een echte kans voor arme landen om zich, werkend en ondernemend, te ontwikkelen. Dit nummer zit boordevol beide dingen. We nemen afscheid van columniste Renske de Greef, die naar de Tanzaniaanse hoofdstad Dar-es-Salaam verhuist om daar op eigen houtje een maandblad te gaan maken met uitgaanstips voor de lokale bevolking en toeristen. Ondernemerschap. En we verwelkomen schrijfster Lisa St Aubin de Terán, die na haar boek Mijn dorp in Mozambique voortaan maandelijks de verwikkelingen beschrijft in haar hotelschool in noordelijk Mozambique. Dat is ontwikkeling. Renske zal ons over een aantal maanden vertellen hoe het met haar gaat, en voor Lisa’s project willen we graag uw inbreng, in de vorm van vragen, advies, of hulp in welke vorm dan ook.


Maart 2008

Draagvlak

Meer dan we hadden verwacht is het OnzeWereld-onderzoek ‘Doe je genoeg voor een betere wereld?’ onderwerp geweest van publiciteit en debat. Hoewel dat laatste zich vooral leek te beperken tot kritiek van slechts enkele betrokken partijen. Prima natuurlijk, die kritiek: de enquête is een peiling, met alle beperkingen van dien, het is geen wetenschappelijk onderzoek. Het heeft die pretentie ook niet. Wel denken we op basis van die peiling een paar steekhoudende dingen te kunnen zeggen over de mate waarin de Nederlander instemt met de manier waarop die hulp wordt gegeven, en vooral: met de omvang van het bedrag dat daarmee gemoeid is.

Kritiek en weerwoord zijn terug te vinden in een nieuwe rubriek ‘Commentaar’ die voortaan de kolommen van dit tijdschrift zal verlevendigen en die, zo hoop ik, een goede bijdrage zal leveren aan het debat. Maandelijks zal een klein groepje vaste commentatoren de belangrijkste issues bij de kop nemen die zich afspelen in de wereld van ontwikkeling, globalisering en hulp. In de eerste aflevering gaat het over zulke diverse onderwerpen als de situatie in Gaza, Kenia, de onbedoelde rol van hulporganisaties in Afrika en, als gezegd, de kritiek op de OnzeWereld-peiling (zie pagina’s 10 en 11).

Hoewel het allemaal al snel nogal gelijkhebberig gaat klinken — iets waar we ons verre van proberen te houden — vonden we dat we de reacties niet onweersproken konden laten. Gelukkig was dat ook tamelijk eenvoudig. Maar daar zullen we het niet bij laten. Belangrijker dan wat gekissebis zijn de onderliggende feiten: veel (te veel) Nederlanders hebben moeite met de wijze waarop grote hulporganisaties geld werven, ze hebben ook moeite met de verantwoording van het bestede geld, en tenslotte hebben ze ook bezwaren tegen de hoogte van het bedrag dat er jaarlijks aan wordt besteed, te weten 0,8 procent van ons bruto binnenlands product, ofwel ongeveer 4,6 miljard euro in 2007.

Het lijkt me dat hier een dringende taak ligt voor de organisaties die jaarlijks miljoenen mogen uitgeven om de Nederlander ervan te doordringen dat dit geld goed wordt besteed en dat het bedrag daarom zeker niet omlaag kan. Ook wij zullen er, vanuit onze journalistieke rol, zeker op terugkomen.


April 2008

Bezetting

Dit jaar bestaat Israël zestig jaar. Net zo lang is de relatie tussen de joodse immigranten en de traditionele bewoners van dit gebied een erg moeilijke geweest. Diverse oorlogen, een bezetting en een ongelijke machtsverdeling hebben ertoe geleid dat er anno 2008 nog steeds geen enkel zicht is op een vreedzame co-existentie van Israëliërs en Palestijnen.

We denken graag dat ook de grootste problemen tussen volken vroeg of laat, aan de hand van integere leiders, tot een goed einde worden gebracht. Maar de Palestijnse kwestie bewijst dat het soms niet zo eenvoudig is. En zelfs de woordkeuze (‘bezetting’, voor de aanwezigheid van Israël in Palestijnse gebieden) is al een stellingname, zo lijkt het.

Reden temeer om met respect te kijken naar initiatieven die proberen deze humanitaire ramp te adresseren zonder te vervallen in politieke slogans of stemmingmakerij. De komende maanden verschijnen enkele boeken die naar deze kwestie kijken vanuit het perspectief dat ook OnzeWereld graag kiest — dat van de gewone burger die probeert iets van zijn leven te maken. Deze maand geeft onze medewerkster Simone Korkus, werkzaam vanuit Israël, een voorproefje van haar nieuwe boek De belofte en het Land. Het is een betrokken verslag van een ooggetuige die geen partij kiest langs de bekende politieke lijnen, maar probeert de onmenselijkheid een gezicht en een stem te geven. We nodigen u, de lezer, graag uit voor een ontmoeting met Simone, eind april.

Volgende maand volgt in OnzeWereld een voorpublicatie uit een al even indringend boek van de Palestijnse Nederlander Arjan El Fassed: Niet iedereen kan stenen gooien. Andere Nederlanders stonden aan de wieg van een initiatief dat ook in dit nummer staat, het project ‘Send a Message’. De onontkoombaarheid van de scheidingsmuur tussen Palestijnen en joden krijgt een speelse dimensie sinds je voor een klein bedrag je persoonlijke statement kunt laten spuiten op de grijze flanken van de muur aan Palestijnse kant. Het is een dubbele boodschap: niet alleen de gespoten woorden hebben een betekenis, al is die voor de Palestijnen in een soms onbegrijpelijke taal opgesteld. De echte boodschap is dat wij deze muur niet erkennen als middel tot scheiding van volkeren, maar alleen wensen te gebruiken als een schoolbord voor onze meningen, wensen, liefdesverklaringen en — zelfs — voor een goeie grap.


Mei 2008

Onverzettelijkheid

Hoe moeilijk is het om bij te dragen aan de ontwikkeling van een regio? We denken al gauw dat we met onze kennis, inzet en geld gemakkelijk het verschil kunnen maken. En op het microniveau van de straat is dat vaak ook zo: die schoolboeken, dat toiletgebouwtje, die opleiding voor deze getalenteerde jonge vrouw, we betalen het graag, en zie, na verloop van tijd: de boeken zijn er, het gebouwtje staat er, het diploma wordt gehaald. Is dat succes? Zeker.

Maar er is meer. De inbreng van buiten geeft scheve ogen: waarom zij wel en ik niet? Waarom daar wel en hier niet? Er ontstaat een gevoel van afhankelijkheid, afgunst, hebzucht, ongeduld. En als het dan niet snel genoeg gaat, of niet iedereen profiteert, is de standaardreactie vaak: er moet meer geld komen.

Dat het anders ligt, bewijzen twee artikelen in dit nummer. Allereerst gingen we op pad met de winnaars van de ‘beste oplossing voor de armoede’. De manifestatie waarin negen teams hun eigen oplossing presenteerden, leidde vorig jaar september tijdens het jubileumfeest tot een winnaar: het team van ‘eerlijke wereldhandel’. De winnaars namen ons mee naar het stadje Tanga in Tanzania, om daar te laten zien hoe deze oplossing in betrekkelijk korte tijd de levens van tienduizenden gezinnen heeft verbeterd.

Wat viel op? Dat eerlijke wereldhandel de lokale gemeenschap kansen geeft, maar dat die kansen pas kunnen worden benut als allerlei andere factoren meewerken. Projecten moeten aansluiten bij de belevingswereld van de mensen die het moeten doen. Kies voor de lange termijn, het duurt soms vele jaren voordat iets wortel schiet. De infrastructuur (wegen, water, elektriciteit) moet goed zijn. De overheid moet betrouwbaar zijn. De omgeving verandert, hulpprojecten moeten kunnen mee veranderen. Enzovoorts.

Dat succes en mislukking dicht bij elkaar liggen, bewijst de nieuwste bijdrage van Lisa St Aubain de Terán uit Mozambique. Een cycloon heeft veel verwoest, haar partner ligt met een ernstige ziekte in het ziekenhuis. In Lisa’s pen is ditmaal angst, chaos en verdriet te proeven – maar ook een grote onverzettelijkheid.


Juni 2008

Rondje wereld

Dat de middenklasse de snelst groeiende bevolkingsgroep ter wereld is, verbaast u waarschijnlijk niet. Al krijgen we in de media vaker de uitersten voorgeschoteld: de allerarmsten en de allerrijksten domineren de beeldvorming. Hoe zien die middenklassers van de wereld er eigenlijk uit? Wat doet de mondiale Jan Modaal met zijn verworven welstand?

Dat laten we zien in een artikel waaraan verschillende correspondenten van over de hele aardbol hebben meegewerkt. Dit recept, dat we in het vorige nummer voor het eerst uitprobeerden, beviel ons goed en daarom gaan we dat voortaan elk nummer doen. Deze mondiale reportage over een actueel thema is hier op de redactie inmiddels ‘rondje wereld’ gedoopt.

Er is dezer dagen veel te doen over China. Een beetje bescheidenheid siert ons, denk ik, als we een oordeel vellen over de wijze waarop China zich ontwikkelt van een arm, hulpbehoevend land tot een natie die zélf aan ontwikkeling doet – vooral in Afrika. Daar wordt hier vaak nogal zorgelijk over gedaan, want Chinezen maken zich minder druk om mensenrechten en dergelijke dan wij, zo lijkt het. Daar staat tegenover dat wij het al een halve eeuw op onze manier hebben mogen proberen, met soms nogal gering en vaak niet erg duurzaam resultaat. Dat blijkt uit de bijzondere reportage die journalist Witho Oost maakte in het kielzog van zijn moeder, die terugkeerde naar Kameroen waar ze veertig jaar geleden in de gezondheidszorg werkte.

Hoe staan de zaken er nu voor? We roepen u, lezers, op om uw eigen ervaringen als ontwikkelingswerker met ons te delen. Dat het allemaal niet zo simpel is, blijkt ook uit een nieuwe bundel essays over de effectiviteit van hulp, die in juni wordt gepresenteerd. De artikelen, geschreven door ruim een dozijn jonge academici, geven een frisse kijk op diverse heilige huisjes op het vlak van internationale samenwerking.

De bundel, die tot stand kwam in samenwerking met de redactie van OnzeWereld, wil nieuwe impulsen geven aan het debat over de effectiviteit van internationale samenwerking. U bent van harte welkom bij de presentatie van deze gratis verzameling prikkelende ideeën op 2 juni in Amsterdam (zie pag. 7).


Juli/augustus 2008

Onder Chinezen

Dagelijks lezen en zien we nieuws over China. Over de Olympische Spelen, mensenrechten, de nasleep van de aardbevingsramp, de economische groei, noem maar op. Maar wat weten we werkelijk van de Chinezen? De strenge censuur in dat land helpt niet bij een goede beeldvorming, al valt me op dat NOS-correspondent Wouter Zwart de laatste tijd erg goede, persoonlijke reportages kan maken, waarin gewone Chinezen hun hart luchten.

In dit nummer tonen we, naar aanleiding van de Olympische Spelen, de resultaten van een uniek fotoproject, te zien op dertig pagina’s. Fotografie-studenten van de Dalian University gingen voor ons op pad om hun beeld van het ‘werkelijke’ China te laten zien. Het resultaat is van een verbluffende sfeer en intimiteit. De foto’s brengen ons ‘onder Chinezen’, we krijgen een zeldzame inkijk in levens die normaal verborgen blijven voor onze westerse blikken.

Bij deze fotospecial hebben we ook een filmpje laten maken. Op een speciale website, aan te klikken via een banner op www.onzewereld.nl, worden foto’s en filmpje vanaf eind juli tot na de Spelen dagelijks aangevuld met actueel nieuws en films, gemaakt door verslaggevers van de Wereldomroep Nederland in China.

Ook relatief onzichtbaar voltrekt zich een drama in Birma. Terwijl de militaire machthebbers de media en hulpverleners uit het land weren, probeert de Nederlander Frans van Dijk hulpgoederen het land in te krijgen, met methoden die doen denken aan die van een geheim agent. Frans houdt voor ons de komende tijd een weblog bij dat kort in dit blad, maar volledig op onze website te volgen is. Frans noemt deze Birmese ramp ‘erger dan de tsunami’, en hij kan het weten want in die periode hield hij voor ons ook al een weblog bij over de hulp in Atjeh.

Daarmee maken we een wereld zichtbaar die zich in andere media slechts zelden laat zien, laat staan begrijpen. Dat beschouw ik nog steeds als onze belangrijkste taak.


Oktober 2008

Ongeduld

Ongemerkt, of eigenlijk: zonder dat ergens iemand heeft besloten dat het zo moest gaan, is de laatste maanden een breed debat op gang gekomen over de toekomst van de hulp. Uitspraken van links en rechts, van SP en VVD, ademen een soort ongeduld, een gevoel van ‘nu moet het maar eens afgelopen zijn’. Er worden vraagtekens gezet, stevige conclusies getrokken. Van VVD en andere politieke stromingen als die van Wilders en Verdonk hadden we dat wel verwacht, daar komen die geluiden al veel langer vandaan.

Nu heeft ook PvdA-minister Koenders kritiek op de hoeveelheden geld die worden besteed om de Nederlanders warm te houden voor ontwikkelingshulp. Hij vindt dat er wel erg veel geld wordt gestoken in ‘draagvlak’ voor het beleid, jaarlijks ongeveer 60 miljoen euro. Geld dat volgens sommigen beter besteed kan worden.

En tegelijkertijd zijn, achter de schermen, diverse hulporganisaties bezig aan nieuw beleid, aan een nieuwe visie op een oud probleem: hoe haal je mensen uit de armoede?

De komende tijd gaat er veel op de schop, vermoed ik. Bij alle politieke partijen wordt inmiddels gewerkt aan een nieuwe visie op dit thema. In dit nummer wijzen alvast twee artikelen op een paar zwakheden in de huidige aanpak. Linda Polman legt in een voorpublicatie uit haar nieuwe boek De Crisiskaravaan de vinger op de zere plek: hulporganisaties spelen rebellen en terroristische organisaties in de kaart en houden zo conflictsituaties en oorlogen in stand. Sterker: zonder hulporganisaties zouden rebellen niet zo gemakkelijk door kunnen gaan met hun bloedige strijd.

Van een andere orde is het thema dat Peter Vermaas aansnijdt in zijn artikel, losjes gebaseerd op zijn nieuwe boek In God We Trust. Namelijk dat de meeste Afrikanen, gelovig als ze zijn, graag iets aannemen van geloofsgenoten, maar argwanend staan tegenover nuchtere, praktische hulpverleners die vooral een concrete kwestie willen oplossen, met condooms bijvoorbeeld. Van ongelovigen is het lastig iets aan te nemen, ze zijn immers blind voor het Allerbelangrijkste. Dergelijke zaken dringen kennelijk maar moeizaam door in ons geseculariseerde wereldbeeld dat, ondanks al ons geld en onze kennis, of misschien wel juist daardoor, nog grote witte vlekken vertoont.


November 2008

Kredietcrisis

Ook wij ontkomen er niet aan, in deze geglobaliseerde samenleving. De kredietcrisis die begon in de Amerikaanse huizensector en inmiddels een wijdvertakt mondiaal web van geld en wederzijdse afhankelijkheid heeft blootgelegd, raakt ook aan de landen die het meest kwetsbaar zijn. Daar gaat het niet om de vraag of mensen hun huizen kwijtraken omdat de hypotheek niet meer te betalen is, of om het verlies van een baan. Nee, daar gaat het om de vraag of een regering of een bedrijf nog in staat is geld te lenen tegen gunstige voorwaarden, geld om te kunnen investeren in groei, in beter onderwijs, nieuwe wegen, banen. Dat zal allemaal moeilijker worden, nu geld schaarser en dus duurder wordt, er kan immers minder worden geleend. Lees het commentaar van Chris Van der Heijden in dit nummer er maar op na.

Toch is hier iets geks aan de hand. De landen die tot op heden het meeste vertrouwen kregen van de financiële heersers, en dus de meeste speelruimte hadden, in die landen vallen nu de hardste klappen. Terwijl de landen die zich nog hard aan het ontwikkelen zijn, de armere landen zogezegd, te maken hadden met strenge, om niet te zeggen wantrouwige financiële instellingen. Dat gebrek aan vertrouwen heeft veel arme landen een oerdegelijke financiële structuur bezorgd, ze moesten immers het braafste én beste leerlingetje van de klas zijn. Dat wantrouwen heeft nu zijn mooie keerzijde, zo legt scheidend directeur Arthur Arnold van de Nederlandse ontwikkelingsbank FMO in dit nummer uit. Interessant. Laten we hopen dat deze landen daardoor minder kwetsbaar blijken dan de zichzelf superieur wanende financiële ‘masters of the universe’ in New York, Londen en Hongkong. Laat hen de crisis maar betalen! Het lijkt een kreet uit een ver, activistisch verleden, maar is nu actueler dan ooit.

Vertrouwen is ook een sleutelwoord in de fotoreportage die we in dit nummer presenteren van Viviane Sassen, een jonge Nederlandse fotografe die ons met heel andere ogen laat kijken naar Afrikanen. Haar schitterende beelden ademen rust, maar ook lef. Ze ogen soms bijna surrealistisch, maar ook volstrekt natuurlijk. Elke foto is een coproductie van twee gelijkwaardige mensen: fotograaf en gefotografeerde. Ze vertrouwen elkaar volkomen.


December 2008/Januari 2009

Hoe moet het wél?

Het jaar 2008 was bijzonder. Nooit eerder werd er in zo veel verschillende verbanden – zowel politieke als maatschappelijke, economische en culturele – gepraat over de manier waarop we samen een einde willen maken aan armoede. Het moet anders en het kan ook anders. Maar hoe? Wat hebben we geleerd van onze fouten? En wat waren dan die fouten?

In het bedrijfsleven en de politiek, bij de hulporganisaties en bij de burger, overal zijn kritische geluiden te horen. Maar tegelijk borrelt het van de ideeën. Ideeën gaan hand in hand met kritiek, en dat kan ook niet anders. Het ene komt op gang dankzij het andere. Zonder voortdurend kritisch te kijken naar wat we doen krijgen nieuwe ideeën geen kans, omdat we niet doordrongen raken van de noodzaak tot verandering. Daarom hebben we er in onze kolommen altijd veel aandacht voor. Té veel, vinden sommigen. Kritiek leveren is gemakkelijk, wordt er gezegd. Hoe moet het dan wél?

In dit dikke eindejaarsnummer hebben we daarom extra veel ruimte gemaakt voor nieuwe ideeën. Ze hebben een paar dingen gemeen: ze zijn haalbaar. Hier wordt dus niet gedroomd. En vaak ontstaan ze buiten de kaders of aan de randen van de bekende organisaties. Kijk maar eens in de speciale bijlage die bij dit nummer verschijnt, van Oxfam Novib.

Of ze komen van langs de zijlijn, zoals het idee van Joris Luyendijk, schrijver van bestsellers over de islamitische wereld. Joris stelt zich, zoals hij zelf zegt, op als een nieuwsgierige tienjarige. Dat maakt het idee dat hij in dit nummer uitwerkt, niet minder interessant.

Maar ook sommige grote hulporganisaties hebben hun frisse blik niet verloren, blijkt uit dit nummer. En wat meer is: ze durven de daad bij het woord te voegen. Er is veel te zeggen, de ideeën tuimelen over elkaar heen, en ‘alles woelt om verandering’. We hebben er daarom een stevig leesnummer van gemaakt, dat, zo hopen wij, voor u even inspirerend is om te lezen als het voor ons was om te maken.


Februari 2009

Veranderingen

Vanaf dit nummer doen we een paar dingen iets anders dan u van ons gewend was. Waarom? Niet omdat we van u stapels e-mails of brieven hebben gehad met klachten en suggesties. Zo gaat dat hier niet: we hebben u leren kennen als mensen die niet zo snel aan de bel hangen voor het een of ander. Natuurlijk denken we wel steeds na over wat we doen: is het blad nog wel toegankelijk genoeg? Zijn de teksten in de loop van de tijd niet te lang geworden, of te ingewikkeld? Of juist te kort? Willen we te veel uitleggen? Leggen we wel genoeg uit?

In dat proces van kijken en luisteren, naar elkaar, naar lezers en naar collega’s, blijven we leren. Reden voor verandering is overigens niet een angstig hoog aantal weghollende abonnees. De abonnementsaantallen stijgen nog steeds lichtjes – voorwaar niet slecht in deze tijden, gezien de situatie bij andere tijdschriften – dus er is geen reden voor paniek. We voelen ons nog steeds gesteund door u, abonnee en lezer. En trouwens ook door vakgenoten. In december kon de redactie tijdens het grote jaarlijkse Tijdschriften Gala, georganiseerd door het Nederlands Uitgeversverbond, de prijs in ontvangst nemen voor de ‘Beste Reportage van 2008’. Een geweldige verrassing en bovendien een grote eer om te midden van meer dan duizend collega’s het prachtige bronzen beeldje in ontvangst te mogen nemen dat bij de Mercur prijs hoort. Het beeldje werd ons gegund voor de dertig pagina’s tellende fotoreportage ‘Onder Chinezen’, die in het zomernummer verscheen. Ter gelegenheid hiervan hebben we de winnende reportage en een bijbehorend filmpje op onze website gezet.

Waarom dan toch iets veranderen? We willen dit blad nog prettiger leesbaar maken, toegankelijker, afwisselender en ook: visueel aantrekkelijker. Dat proces van veranderen en verbeteren is permanent gaande, maar wordt soms even zichtbaar, zoals nu. We beginnen voortaan met een beeld van een mooi festival, de rubriek Wereld heeft van plek gewisseld met Straat, en een dagelijkse selectie uit de Agenda staat voortaan op twee pagina’s, terwijl we voortaan de volledige agenda op onze website zullen laten zien. Zo zijn er nog meer dingen. We zijn benieuwd wat u ervan vindt.


Maart 2009

Van ons

In dit nummer staan twee artikelen die meer met elkaar te maken hebben dan je op het eerste gezicht zou denken. De inhuldiging van Barack Obama tot president van de VS en een stuk over de Amazonedelta.

De eerste reportage verslaat een enorm volksfeest, een viering, voor honderdduizenden — vooral zwarte — Amerikanen die uit Chicago, de uitvalsbasis van Obama, naar Washington reisden om dit historische moment mee te maken. Fotograaf Pieter van der Houwen, die vorig jaar met ons het fotoproject in China maakte waarmee we de Mercur-prijs ‘beste reportage van het jaar’ wonnen, is een ervaren rot. Wat hem als professional kenmerkt, is een scherpe, soms genadeloze blik op de samenleving en zijn eigen rol daarin. Een karaktertrek die hij deelt met de meeste goede journalisten die ik ken.

‘Ik realiseerde me tot mijn diepe schaamte’, zei hij na zijn terugkeer, ‘dat ik in de VS voor het eerst echt inhoudelijk heb zitten praten met zwarte Amerikanen, African-Americans. Meestal zijn dat degenen die je in je hotel de drankjes en je eten komen brengen.’ Dat de VS nog steeds een gesegregeerd land is, bewijst zijn reportage: het aantal blanken dat Obama’s inhuldiging meemaakten, was ver in de minderheid. Hoe veelzeggend dat is, zal de komende tijd blijken.

Een tweede reportage gaat over de Amazonedelta, een natuurgebied ter grootte van westelijk Europa. Ik sprak er met deskundigen en betrokkenen, actievoerders, politici en uiteraard de Amazonebewoners zelf. Het was een exercitie die bescheidenheid vergt, want bij OnzeWereld worden de reportages gemaakt door journalisten die zeer goed zijn ingevoerd en vaak ook in de regio wonen waarover het gaat. Pas dan krijg je de diepte die iets toevoegt aan wat andere media al bieden.

Ik schreef over inheemse mensen die dankzij gebruik van gps hun woongebieden in kaart kunnen brengen. Waarom is de Amazone belangrijk voor ons? Waarom is Obama belangrijk voor ons? Omdat, in de huidige, geglobaliseerde samenleving, Obama ook ‘van ons’ is. En de Amazone is van ons allemaal, niet alleen van de inheemse mensen die er wonen. Dat hebben de twee reportages met elkaar gemeen.


April 2009

Tekst: Cijfers en visie

Van sommige dingen denk je dat ze al lang bestaan. Omdat ze zo logisch klinken en nuttig lijken, onmisbaar zelfs. Hoe kan een professionele sector werken zonder? Maar ineens blijkt dat helemaal niet zo te zijn, je ontdekt dat door een toevalligheid, je leest ergens een stukje en je denkt: hé, maar dat bestaat toch al lang?

Zo ongeveer verging het mij bij het lezen van een klein artikeltje ergens in een vakblad over Jeroen Smits, wetenschapper aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Smits is bezig met het aanleggen van een enorme database met cijfers uit de hele wereld over alles wat met onderwijs te maken heeft. Onderzoeksgegevens van Unicef, USAID, overheden, universiteiten in de hele wereld, enzovoorts. De noeste arbeid van grote en gerespecteerde organisaties die een kwestie onderzoeken, een rapport publiceren, hun beleid erop aanpassen waarna er vervolgens … niets meer mee gebeurt. Het rapport komt nog ergens op een website, in het archief, en dat is het.

Smits is begonnen met het verzamelen van dat onderzoeksmateriaal en brengt het onder in één enkele doorzoekbare database in Nijmegen. Het werk is pas net begonnen, maar nu al kan hij opvallende conclusies trekken. Vooralsnog richt het zich op onderwijs, maar de database onthult ook trends in andere thema’s, zoals gezondheid en regionale conflicten. Het toegankelijk en doorzoekbaar maken van cijfers uit verschillende databases levert een bron van nieuwe kennis op; het is, in de ware betekenis van het woord, een goudmijn (zie het interview op pagina 18).

Van een heel andere orde, maar misschien net zo belangrijk, is het nadenken over nieuwe manieren van ontwikkeling. Hoe breng je alle opgedane kennis in praktijk? Hoe leer je van gemaakte fouten? Door te proberen een stap te zetten buiten de huidige kaders en de traditionele denkpatronen. Dat vergt ‘anders kijken’ naar de toekomst van hulp, met oog voor lokale mogelijkheden en de eigen beperkingen. Het artikel (Vijf ideeën voor betere hulp, pagina 8) draagt daaraan bij. Het stond in een beknopte versie in de Volkskrant van zaterdag 7 maart en volgt hier met wat meer nuance en toelichting. Op de website van www.oneworld.nl is inmiddels een boeiend debat gaande over de vijf stellingen in het stuk. Het is een debat waarbij we alle inbreng verwelkomen, ook de uwe. Want alleen met cijfers komen we er niet: een humane visie op een andere samenleving en lef om op basis van de feiten te durven kiezen, zijn minstens zo belangrijk.


Mei 2009

Faire toekomst

De Keniaanse activiste Wangari Maathai kreeg haar Nobelprijs, omdat ze zich al een leven lang inzet voor de Green Belt Movement, een organisatie van vooral vrouwen, die vrouwen massaal mobiliseert om bomen te planten. Toen ze drie jaar geleden door het Zweedse comité werd uitverkoren, was mijn eerste reactie: kun je nu ook al een Nobelprijs krijgen voor het planten van bomen?

Maar het ging natuurlijk om veel meer dan zomaar wat bomen. Tijdens Movies that Matter in Den Haag sprak ik met Lisa Merton, de maakster van de documentaire Taking Root, die we op de speciale OnzeWereld-filmdag konden laten zien aan een zaal gevuld met lezers. Lisa’s film maakte me duidelijk dat Maathais belang heel wat verder gaat dan het ogenschijnlijk zo eenvoudige planten van bomen, hoe nuttig dat ook is.

Wangari Maathai en Lisa Merton laten zien dat grote veranderingen en complexe politieke processen beginnen met kleine dingen, op het oog onschuldig en voor velen onbetekenend, maar op termijn machtig, en onafwendbaar. Merton, een zachtmoedige vrouw met grijs haar en fijne gelaatstrekken, maakte van Taking Root een monument van onverzettelijkheid. Een ode aan duizenden gewone Kenianen, die kleine boompjes bleven planten in een land waar de bossen werden gekapt door corrupte machthebbers. Uiteindelijk waren die machthebbers niet tegen hen opgewassen.

Vaak zijn het de, op het oog kleine, onbeduidende trends die het grote verschil maken. Het zijn de stille revoluties die de wereld werkelijk en blijvend veranderen, niet de lawaaiige, de bloedige.

Eerlijke mode is ook zo’n stille revolutie. In dit nummer laten we zien wat er allemaal gaande is op dat terrein. Ondanks de economische crisis stijgt het marktaandeel, consumenten worden zich bewust van het bestaan ervan, producenten zien het marktpotentieel en realiseren zich dat de traditionele aanpak te duur en maatschappelijk gezien onverantwoord dreigt te worden. Op lokaal niveau lokken de ‘faire’ salarissen en werkomstandigheden de beste arbeidskrachten weg bij uitbuitende fabrikanten. Het duurt lang en het gaat niet vanzelf, maar de richting is duidelijk.


Juni 2009

Vuile handen maken

De vraag hoe we kunnen bouwen aan een betere wereld is niet typisch Nederlands. Wij zijn niet het enige volkje dat verbaal vechtend over straat rolt als het over dit soort wezenlijke zaken gaat. Het moet zó, zeggen de Amerikanen. Nee, zó! Zeggen de Australiërs. En de Afrikanen, die zeggen soms weer heel wat anders – afhankelijk van welke Afrikanen je spreekt.

Zo heeft het debat over een betere wereld overal een andere klank en uitkomst, of je nou in Washington of Canberra bent, in Kigali of in Brasilia. In dit nummer komen ze allemaal voorbij en allemaal laten ze een stukje zien van de puzzel en het totaalbeeld dat al die losse stukjes straks moeten geven. In Washington heeft een president veel lof voor de wijze waarop Nederland in de Afghaanse regio Uruzgan de ontwikkeling aanpakt, met een combinatie van veiligheid, diplomatie en opbouw.

Muziek in de oren van ministers Van Middelkoop en Koenders, die al jaren deze lijn volgen. Bert Koenders doet zelf ook mee aan het debat, in een vorm die voor OnzeWereld uniek is. Koenders schreef zelf het artikel over zijn recente bezoek aan oostelijk Afrika. Hij benadrukt wat ontwikkeling in de praktijk veelal is: gewoon stap voor stap, ‘vuile handen maken’ en beetje bij beetje vooruit. Tegelijk pareert hij de kritiek van Dambisa Moyo op de effectiviteit van hulp. Die is er wel degelijk, alleen: je moet het wel willen zien, zegt Koenders.

Ook in Australië is de vraag hoe we aan een betere wereld bouwen, weer ‘hot’. Daar heeft de linkse premier Rudd het roer van zijn voorganger helemaal omgegooid. In een exclusieve reportage schetst Michiel Hegener de nieuwe rol die dit land in de wereld wil gaan spelen. En in Brazilië? Dat land heeft een heel eigen aanpak gekozen, waar het veel succes mee boekt. Tegelijk, of waarschijnlijk daardoor, is de merknaam ‘Brazilië’ synoniem geworden voor schoonheid, energie, diversiteit, spiritualiteit, eco en cultuur. In het coverartikel leest u waarom.


Juli/augustus 2009

Géén crisis!

Dit zomernummer is anders dan u van ons gewend bent. Overbruggen we normaal gesproken de periode tot het septembernummer met een extra dikke editie, ditmaal gebeurt dat niet. Helaas, zeg ik, want we hebben zoveel te vertellen over de ‘rest van de wereld’ dat we elke maand woekeren met de ruimte.

Het is dan ook een simpele bezuinigingsmaatregel, en hopelijk eenmalig. Niet dat het slecht gaat met de abonnementen, integendeel. Er is een gezonde aanwas van nieuwe lezers, daar prijzen we ons gelukkig mee. Het zijn vooral de teruggelopen inkomsten uit advertenties die ons raken. Dat heeft alles te maken met de crisis, die bedrijven dwingt tot bezuinigen. Daar is niets aan te doen. Intussen hoop ik dat u, de lezer, onze missie blijft volgen. En wie weet kent u iemand die blij gemaakt kan worden met een abonnement, dat zou ons erg helpen in deze tijden (zie pagina 7!).

Qua crisis en ellende valt dit natuurlijk allemaal in het niet bij de barre omstandigheden waarin veel mensen in de wereld hun leven vorm en zin proberen te geven. Zoals de Zimbabwanen, die de afgelopen twee jaar van heel dichtbij en vol mededogen zijn gevolgd door ‘Pieter’ in zijn blog in het blad en op onze site. Daar komt nu een eind aan, want ‘Pieter’ is teruggekeerd naar Nederland. In het volgende nummer spreken we uitgebreid met hem en kunnen we ook zijn ware identiteit onthullen, nu we hem niet meer hoeven te beschermen tegen wrekende machten in het land waar hij vele jaren werkte aan een betere toekomst voor de mensen.

Tenslotte wijs ik nog graag op een geweldig pleidooi in dit blad voor eerherstel van ‘de onderwijzer’, die stille kracht achter ontwikkeling in de wereld. Schrijfster Mieke Lopes Cardozo won er ‘de essaywedstrijd Heilige Huisjes 2009’ mee, een gezamenlijk project van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en OnzeWereld. Er moge sprake zijn van een mondiale crisis, de essays in de bundel Heilige Huisjes bewijzen dat er géén crisis is als het aankomt op ideeën voor een betere wereld. Daarom blijven we optimistisch.


September 2009

Falen

Een falende staat, hoe ziet dat er uit? Ik was net voor de zomer in Zimbabwe, in het gezelschap van Agnes Jongerius van de FNV en enkele andere vakbondsmensen. De FNV heeft vanouds hechte contacten met haar collega-vakbonden in dit land, en als journalist kom je het land niet in, dus toen de gelegenheid zich voordeed zei ik meteen ‘ja’ (zie pag. 8).

Zimbabwe is zo’n falende staat, het staat op nummer 2 op de Failing States Index die jaarlijks wordt samengesteld door Foreign Policy. Die lijst staat, voorzien van een uitgebreide toelichting, ook in dit nummer (zie pag. 28). Falende staten zijn er in soorten en maten. Wat de Russische schrijver Tolstoj ooit zei over relaties, geldt ook hiervoor: gelukkige relaties zien er allemaal hetzelfde uit, maar slechte relaties zijn allemaal op een andere manier slecht. Zimbabwe faalt, omdat de regering (onder leiding van Robert Mugabe) geen oppositie toestaat, haar bevolking onderdrukt, en alles ten dienste stelt aan het eigen machtsbehoud.

Wat dat in de praktijk betekent, heb ik met eigen ogen kunnen zien. Het is een samenleving waarin mensen dagelijks moeten overleven in een vijandige omgeving, een land dat twintig jaar geleden nog de best ontwikkelde Afrikaanse natie was en waar nu vrijwel niets meer functioneert. Onze man in Zimbabwe, die de afgelopen twee jaar voor OnzeWereld wekelijks blogde, legt in een interview uit hoe moeilijk het leven in zo’n land is. ‘Pieter Kloosterman’, zoals hij onder schuilnaam heette, is net teruggekeerd, we spraken hem in Twente over zijn nu afgesloten Zimbabwaanse avontuur (zie pag. 12).

Zo is dit nummer een soort Zimbabwe-special geworden. Maar eigenlijk gaat het hier meer over de vraag wat wij vanuit het Westen kunnen bijdragen aan de ontwikkeling van een land dat haar eigen bevolking stelselmatig mishandelt en waar het bestuur haar eigen belangen nastreeft.

Niet veel, zo blijkt. Een van de weinige dingen die dan nog wel lijken te werken, is het rechtstreekse contact van collega’s, vakbroeders, die over grenzen heen elkaars problemen herkennen en begrijpen, en daarmee gelijkwaardig worden, al zijn hun omstandigheden natuurlijk hemelsbreed verschillend. Dat is transparant, concreet, er is wederzijds respect, het voorkomt corruptie, en is als vanzelf op de langere termijn gericht. Of het nou boeren, medici, technici, of vakbondsbestuurders zijn: zet ze bij elkaar en er komt geheid iets goeds uit.


Oktober 2009

Thuiskomen

‘Overal thuis’ is de naam van een bijzondere fotoproductie in dit nummer van OnzeWereld. Het is de uitdagende titel van een project van de Rotterdamse kunstenaars Esther Kokmeijer en Henrik Jan Haarink, die laten zien wat ’thuis’ voor mensen betekent. In elk Europees land bezochten ze de bewoners van het huis dat het dichtst bij het fysieke geografische ‘hart’ van het land ligt. Overal mogen wij binnenkomen, de bekijkers van deze foto’s. Overal zijn we welkom. De dubbele betekenis van de titel daagt ons, de kijker, uit. Stelt ons de vraag hoe moeilijk of eenvoudig het is om ‘overal thuis’ te zijn in deze wereld. En wat is dat eigenlijk, ’thuis’? Wanneer is een land, stad, dorp of streek gastvrij en warm genoeg om ’thuis’ te mogen heten voor de mensen die er verblijven?

Opvallend — of is het dat eigenlijk wel? — is de centrale plaats die de keuken in negen van de tien huizen inneemt. Ergens zien we een grote keukentafel vol met glazen potten ingemaakt fruit. Pruimen, zo te zien. Eten, voedsel, is erg belangrijk voor het idee van ’thuiszijn’. Het schept veiligheid, zekerheid, geborgenheid.

Zo beschouwd staan deze dingen — thuis en voedsel — centraal in dit nummer. Want elders hebben we veel aandacht voor duurzaam voedsel. Voor ons, verstedelijkte wereldburgers, is het verzamelen van voedsel een fluitje van een cent; je haalt het in de supermarkt, bij de groenteboer, de bakker en de slager. Maar wie duurzaam voedsel wil, wie let op herkomst en op ‘eerlijke productie’, die moet puzzelen en etiketten uitpluizen. Boontjes uit Kenia, asperges uit Peru, tomaten uit Israël; is dat wel oké? En als dat eten duurzaam is geproduceerd, mag het dan ook nog eens superlekker zijn of is dat te veel gevraagd? Dit nummer zit boordevol informatie en tips voor de twijfelende duurzame consument. Van restaurant-bezoeker tot koffiedrinker, van amateurkok tot snelle eter.

Maar, ik geef toe: soms zou ik willen dat mijn duurzame keuzes even gemakkelijk waren als in Suntaži, een dorpje in Letland, waar de mensen hun meeste voedsel nog uit hun eigen moestuintje halen. En waar niemand zich hoeft af te vragen waar de potten ingemaakte pruimen op de keukentafel toch vandaan komen.


November 2009

Wereldorde

Het is een groot woord, ‘wereldorde’. Het doet denken aan machtige politici die een visioen nastreven, het heeft iets dwingends. Een orde ontstaat namelijk niet vanzelf, daar moeten mensen werk van maken. Niet zomaar mensen, maar machthebbers, want anders kom je niet ver met je ambities. Het woord is beladen, het laat, in mijn beleving, weinig ruimte voor dwarsdenkerij, voor ‘anders zijn’. Iets wat de ordening verstoort krijgt vanzelf een negatief predikaat, een waardeoordeel waaruit afwijzing blijkt. Dissident. Afwijkend gedrag. Ordeverstoring. Geen fijn woord, kortom.

Toch horen we het woord de laatste tijd erg vaak. De financiële crisis heeft, samen met die andere crises waarover we in dit blad al vaak hebben geschreven, aangetoond dat de mondiale samenleving volledig verweven is geraakt. Door de financiële, economische en culturele globalisering heeft een gebeurtenis aan de ene kant van de wereld direct gevolgen voor een regio aan de andere kant van de globe. Dat leidt nu tot een nieuwe golf van mondiale ordeningsprocessen.

De commentaren in dit nummer gaan vooral daarover. De vergaderingen van de G20, het IMF, bi- en multilaterale handelsakkoorden, dat zijn zelden onderwerpen die de voorpagina’s van de kranten halen – of prominent in deze kolommen opduiken. Want het zijn saaie, taaie en ondoorzichtige processen, abstract vaak ook: machthebbers onder elkaar die dingen regelen. Met dergelijke verhalen doe je de lezers geen plezier, weten wij uit ervaring.

Maar de laatste maanden is er iets veranderd. Ineens halen deze instellingen weer de voorpagina’s. De chaos heeft de behoefte aan een nieuwe ordening aangetoond, duidelijker dan ooit tevoren. En als de signalen kloppen wordt in deze nieuwe ordening eindelijk ruimte gemaakt voor niet-westerse landen. Saai? Misschien. Belangrijk? Zeker.

Gelukkig gaat het in dit nummer vooral over meer concrete zaken die we aan de globalisering te danken hebben: een beeldreportage over voetbal in Zuid-Afrika, als opmaat naar het WK dat daar volgend jaar wordt gehouden. En enkele artikelen waarin wij, bewuste wereldburgers, worden geholpen bij het maken van goede keuzes. Daar hebben we geen staatslieden bij nodig, gelukkig.


December 2009/Januari 2010

Nieuw geluid

Wordt het een succes dat de weg plaveit naar een duurzame wereld, of stevenen we af op een grote mislukking?

De klimaattop in Kopenhagen werpt zijn schaduw ver vooruit. Al weken regent het speculaties in de media. Dat de top een scharnierpunt wordt in de mondiale aanpak van klimaatverandering, staat wel vast. Tijd voor nog meer uitstel hebben we niet. Intussen lijkt het koor van sceptici sterker te worden. Degenen die openlijk twijfelen aan de effectiviteit van het terugdringen van kooldioxide-uitstoot (Co2), werden een jaartje of wat geleden nog weggehoond. Dat is niet langer zo. De Deense scepticus Bjørn Lomborg vroeg zich als een van de eersten publiekelijk af of terugdringen van Co2-uitstoot wel de geëigende weg is om de opwarming van de aarde tegen te gaan.

In deze winterse, extra dikke editie komt een Nederlandse klimaatexpert aan het woord die weliswaar pleit voor duurzame energie (andere energiebronnen raken immers op), maar die ook twijfelt aan het hele Co2-verhaal. En zo zitten we direct middenin een technisch debat over iets waar maar heel weinig mensen – ik alvast niet – echt het fijne van kunnen snappen.

We laten daarom liever zien, in een beeldspecial, hoe klimaatverandering het leven beïnvloedt van mensen die zich het slechtste kunnen verdedigen tegen een warmere aarde. De Inuit, oorspronkelijke bewoners van Groenland, kunnen steeds minder goed jagen, het ijs wordt dunner. Dus schakelen ze over op iets waar je juist gesmolten ijs bij nodig hebt: vissen. En ze pikken ook graag wat extra zonnestralen mee.

Ook uit de bankwereld komt een nieuw geluid. Pril en voorzichtig, maar toch… De noodzaak van een ander financieel systeem, met meer sociaal verantwoordelijkheidsgevoel, wordt verwoord door een groep jonge bankiers, die probeert van binnenuit de agenda’s van dit bolwerk te beïnvloeden. De Duurzame Bankwijzer, een relatief nieuw fenomeen, is een groot succes, met veel meer maatschappelijke weerklank dan verwacht. Het zijn hoopvolle geluiden uit een bedrijfstak die tot op heden louter om winst draaide. Hoop is ook het sleutelwoord voor Kopenhagen. Het is niet veel, ik weet het, maar we moeten het ermee doen.


Februari 2010

Intelligent mens

Traditioneel kijken we in het februarinummer van OnzeWereld vooruit. Dat is pas interessant als je ook terugkijkt. Hoeveel geld willen we aan hulp besteden in 2010? Is dat meer dan in 2009? En aan welke dingen moet dat worden besteed? De jaarlijkse enquête ‘Doe je genoeg voor een betere wereld?’ die we in dit nummer presenteren, geeft een helder inzicht in ons gemoed, onze hoop en verwachtingen.

Met dat gemoed gaat het een stuk beter dan je soms weleens zou denken. Als ik een term zou moeten vinden om u, lezer, te omschrijven, dan denk ik aan: ‘voorzichtige optimist’. Of, ietsje breedvoeriger: een belezen, kritische, maar vooral empathische wereldburger. Een intelligent mens met een klein hartje.

We vinden dat hulp écht helpt, al is het soms misschien maar een beetje. En al kan het allemaal misschien anders. En beter. Dat vindt ruim 80 procent van de ondervraagden…

Een heel ander geluid dan we de laatste tijd zo vaak uit de mond van politici en boze burgers hoorden. Zij zitten ernaast. Niet dat we alles bij het oude willen laten, zeker niet. Velen raken het vertrouwen in de bekende grote organisaties een beetje kwijt, al blijven we geld geven. Het is zoeken naar nieuwe wegen, andere methoden, om het einddoel van een wereld zonder armoede dichterbij te brengen. U bent positief en kritisch tegelijk. Dat treft: wij ook. De belangrijkste conclusies van de enquête staan in dit blad. Bekijk het volledige onderzoek op onze website www.onzewereld.nl.

Hulp is nuttig, maar moet anders en beter worden georganiseerd. Dat is toevallig ook het onderwerp van een langverwacht rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR), met de titel ‘Minder pretentie, meer ambitie’. De analyse, die de regering een duidelijke nieuwe richting aanwijst, wordt gepresenteerd op een tijdstip dat dit blad al bij de drukker ligt — maar nog niet bij u in de brievenbus. We konden vooraf het stuk inzien en even praten met de samenstellers. De weerslag daarvan vindt u terug in dit blad. Er zal de komende tijd veel over te doen zijn, verwacht ik. Prima: aan een goed debat over de toekomst van hulp doen we graag mee.


Maart 2010

Patiënt overleden?

Wat heet mislukt? De laatste tijd gaat het in OnzeWereld vaak over effectiviteit en resultaat van de hulp. Iedereen is ermee bezig, en iedereen heeft er wel een mening over. Waar gaat ons geld naar toe? En helpt het ook? Kan het efficiënter worden besteed, effectiever? Welke rol speelt de traditionele hulp überhaupt nog bij de ontwikkeling van arme samenlevingen?

In dit nummer gaat LLINK-verslaggever en radiopresentator Marcel van der Steen terug naar een klein internetproject in Senegal, waarbij hij enkele jaren geleden nog aan de wieg stond. Klinkt heel overzichtelijk. Toch was het mislukt, wist Marcel. Het gebouw stond leeg, de computers waren verdwenen. Wat was er misgegaan bij dit initiatief van Nederlandse organisaties als de Communicado Foundation en Viafrica?

Na Marcel’s terugkomst bleek het allemaal niet zo eenvoudig te liggen. Over één ding was iedereen het grondig eens: dat internetproject was mislukt. Maar hoe dit nou kwam? En wie daarop was aan te spreken? Nadat Marcel zijn artikel had ingeleverd, begonnen de boze e-mails van de Communicado Foundation binnen te stromen. Weldra gevolgd door zwaar getoonzette e-mails van advocaten. Dat zijn we hier bij OnzeWereld niet gewend. Veel overleg en terugkoppeling derhalve, tot in de laatste uren voor de onvermijdelijke deadline. Voor de afloop verwijs ik u graag naar pagina 30 en verder.

Het gaat ons er niet om dat we iemand als ‘schuldige’ willen aanwijzen. Maar organisaties hebben een verantwoordelijkheid: ze geven ons geld uit, claimen succes. Daar moeten we op kunnen vertrouwen. We verwachten integriteit, ook als het even tegenzit. Wat was, achteraf gezien, domme pech? Wat bleek niet zo slim? En wat was overmacht?

In al die e-mails zagen we opnieuw de waarheid in het oude gezegde ‘Succes heeft vele vaders, maar mislukking is een wees’. En wat is dat, ‘mislukt’? Als de ene partij de boel overdraagt aan een lokale organisatie, is daarmee dan de kous af?

Nog een spreuk kwam in mij op: ‘Operatie geslaagd, patiënt overleden’. We nemen niet aan dat deze oude zegswijzen symbool staan voor de hele sector van armoedebestrijding. Maar, ik geef het toe, op momenten als deze twijfel ik even.


April 2010

Geachte aandeelhouder

Dit tijdschrift is niet afhankelijk van de grillen van een op winst gericht bedrijf. En evenmin is het afhankelijk van de wispelturigheid van een lezerspubliek dat steeds maar weer verleid moet worden tot lezen, en dat zonder prikkels geneigd is zappend de tijd te verdoen voor de televisie.

Nee, dit tijdschrift is vooral afhankelijk van u, de lezer. Dankzij de trouw en de betrokkenheid van onze lezers bestaat OnzeWereld al meer dan vijftig jaar. Dankzij de betrokkenheid van mensen die werkelijk geïnteresseerd zijn in de dingen waar OnzeWereld aandacht aan besteedt, kunnen we nog steeds doen wat we het belangrijkste vinden: de wereld laten zien als een mondiale samenleving waar heel veel goed gaat, maar waar ook nog veel moet gebeuren voor mensen die in moeilijke situaties moeten overleven. Geluk, gezondheid, welzijn en welvaart zijn voor geen enkele wereldburger vanzelfsprekende zaken. Maar de kans dat wij deze dingen verwerven, is in ons deel van de wereld vele malen groter dan elders.

Wat er zoal gebeurt, en wat er zoal zou moeten veranderen, daarover gaat het vaak in deze kolommen. Soms is dat kritisch, maar meestal gewoon informatief. En, als het kan, ook móói. Zoals, in dit nummer, de beeldreportage uit Bolivia over een onderwerp waar ik, eerlijk gezegd, nog nooit iets over had gehoord of gezien: de winning van het kostbare en zeldzame lithium, een grondstof voor, onder meer, mobieltjes en platte beeldschermen. Ruim de helft van de totale wereldvoorraad van dat spul ligt dus in Bolivia. Goed nieuws voor een van de armste landen van Latijns-Amerika. Voor de prachtige beelden verwijs ik graag naar de pagina’s verderop; en voor (veel) meer achtergrondinformatie verwijs ik naar de website van onze partner oneworld, die een dossier opbouwt over grondstoffen.

Als we dit soort journalistieke keuzes maken, doen we dat met maar één belang voor ogen: wat willen we de lezer laten zien? We zijn niet afhankelijk van andere belangen dan van uw belang als lezer, en eigenlijk vinden we dat fantastisch. U bent belangrijker voor ons dan grootaandeelhouders of financiers. Die hebben we niet: we hebben alleen u, de lezer. U bent onze financier en grootaandeelhouder tegelijk. Kijk daarom eens naar pagina 48, waar staat hoe u een kennis, vriend, buurman of collega abonnee kunt maken van dit blad. U krijgt er een aardigheidje voor terug, en wij kunnen weer wat groeien.


Mei 2010

Mooie kleren

Nee, deze editie van OnzeWereld is geen modespecial. De mannen die de omslag en de beeldreportage sieren zijn geen fotomodellen, ze worden er niet eens voor betaald om in deze outfit voor de camera te verschijnen. Deze mannen steken veel geld in hun verschijning, dat zie je zo. Te veel, zouden we kunnen zeggen, wij met onze calvinistische inborst. Kunnen ze dat geld niet beter besteden? Elk weekeinde is het raak, dan gaan ze ermee de straat op, in het straatarme, grauwe Congo, als paradijsvogels op een afvalstort. De garderobe wordt gekoesterd. Met deze kleding maken de mannen een statement. Maar welk statement eigenlijk?

Elk detail klopt, de jas, het pochetje, de broek, de hoed, de pijp, de handschoen. Every inch a gentleman. Ze voelen zich er heel goed bij, dat straalt ervan af. Ze stralen energie uit, succes. Is dat zo belangrijk? Ik denk van wel. Zelfvertrouwen, trots, zelfbewustzijn, savoir-vivre, lef, het zijn karaktertrekken die je nodig hebt om iets van het leven te maken. Ook al speelt dat leven zich af in miserabele omstandigheden. Wie weleens in een zuidelijk Afrikaans land heeft gereisd, wordt getroffen door de energieke veerkracht van mensen, de weerbaarheid, het vermogen om er in belabberde omstandigheden het beste van te maken. Deze mannen zeggen: ‘Yes we can!’ Daarom vinden we deze beelden nou zo leuk.