VOORAF: Dit is een reisreportage in Bhutan, geschreven bij de officieuze opening van de Nabji Trail (Nabji-Korphu Trek) in 2006. Reportage in samenwerking met Sawadee Travel.
Februari 2007, onzeWereld
Door John Verhoeven
Elke morgen om vijf uur staat Kinley op van zijn slaapmatje op de aarden keukenvloer en terwijl hij zijn boeddhistische mantra’s zachtjes voor zich uit zingt, verzamelt hij hout, stookt een vuur op, kookt water en begint met het maken van het ontbijt.
Het is nog koud, amper vijf graden, en als het licht wordt, benemen de ochtendnevels het zicht op de hoge bergen en diepe dalen van Bhutan. We zitten midden in het natuurgebied Black Mountains, tweehonderd kilometer oostelijk van de hoofdstad Thimphu. De slingerende tweebaans asfaltweg die de enige verbinding vormt met de bewoonde wereld, is ver weg. Tijdens deze zesdaagse wandeling langs de nieuwe Nabji Trail zullen we de verharde weg drie dagen niet eens kunnen zien liggen.
Kinley kookt elke dag voor ons, een groepje Nederlandse wandelaars dat in zes dagen over de Nabji Trail loopt, een rotsig bergpad dat de enige verbinding vormt tussen de dorpsgemeenschappen van Nimshong, Nabji, Korphu, Kudra en Jangbi. De Nederlandse reisorganisatie Sawadee is de eerste en tot dusver enige reisorganisatie ter wereld die de ruim 47 kilometer klauteren over de soms gevaarlijk steile bergpaadjes heeft opgenomen in haar reisgids, als onderdeel van een drieweekse wandelvakantie. De trail is pas net af, wij zijn de eerste groep die de zes dagen lange tocht gaat doen.
Bhutan wordt niet bepaald overlopen door toeristen: in 2006 zullen ongeveer tienduizend toeristen het kleine boeddhistische Himalaya-koninkrijkje pal onder Tibet en net boven India bezoeken. Volgend jaar zijn dat er misschien wel twaalfduizend. Zolang de toeristen allemaal 200 dollar per persoon per dag moeten betalen om dit land te bezoeken, zal dat cijfer niet snel stijgen.
Kinley’s aanwezigheid is pure luxe, begrijp ik van mijn medewandelaars. Elke ochtend een warme kop thee of (oplos)koffie en een bakje warm water om je op te frissen, daarna een stevig ontbijt, met toast, jam, honing en een bakje warme porridge, dikke pap, terwijl anderen de tentjes inpakken. Bij een normale trekking heb je die luxe niet.
Echte wandelaarskost is het, precies wat we nodig hebben om de komende vier, vijf uur over rotsige bergpaden naar onze volgende ‘camping’ te lopen. Het is een pittige tocht, althans voor de onervaren wandelaar die ik ben. Voor de anderen, allemaal door de wol geverfde ’trekkers’ die elk jaar weer de uitdaging van meerdaagse trektochten door onherbergzame gebieden zoeken, is het prima te doen. Ik hoor in die dagen niemand klagen over blaren. Pittig door het vele klauteren en afdalen op smalle paadjes, maar goed te doen omdat we tussen de 1000 en 1600 meter hoogte lopen, in de maagdelijke, tropische bossen en langs schaarse nederzettingen in het natuurpark. Gelukkig regent het al die dagen niet, anders was het ook voor de ervaren trekkers een loodzware tocht geworden over spekgladde paadjes langs diepe afgronden.
Onderweg komen we bewoners tegen: het gezin dat hun hele huisraad op de rug heeft gebonden, de boer die met een plunjezak vol kookgerei na een week werken op zijn rijstveldjes weer naar huis loopt, en de schoolkinderen die, de boeken bijeen gebonden op de rug, proberen nog voor de vroeg invallende duisternis thuis te zijn. Wie hier een been breekt moet minstens een paar uur op de rug van een paardje naar de dichtstbijzijnde medische post worden getransporteerd. Opletten dus maar, op die steile bergpaadjes.

SNV betaalde mee
Elke dag vormen enkele gidsen, de keukenploeg van Kinley en een stuk of tien dragers met
evenzovele paardjes, een kleine karavaan van de ene pleisterplaats langs de Nabji Trail naar
de volgende.
Er zijn zes eenvoudige campings aangelegd, met geld van de regering en de
UNDP (United Nations Development Program) begrijp ik later van Nanda Ritsma in Thimphu. Haar werkgever, de Nederlandse hulporganisatie SNV, betaalde mee aan het onderzoek dat in 2004 de aanzet vormde tot dit kleinschalige toeristische project, bedoeld om de boeren buiten het oogstseizoen aan extra inkomsten te helpen. Daarna verleende SNV vooral technische assistentie, legt Nanda uit.
En zo heeft elke overnachtingsplaats langs de route een vaste inrichting: een gloednieuw getimmerde, vierkante verblijfsruimte met open wanden, dak en bankjes, een soort kiosk. Er is sanitair (maar zonder stromend water), er zijn vlakgemaakte stukken terrein waarop een half dozijn tenten kunnen worden neergezet, en er staat een keukengebouwtje met muren van leem en met aarden bodem, het domein van Kinley. Elke camping hoort bij een dorpje waarvan de bewoners zich aanbieden als drager, met of zonder paard, als lokale gids of als kokshulpje. Daar wordt aan het einde van de dag gekookt voor de gearriveerde groep wandelaars en de dragers en gidsen, en daar klonteren ’s avonds als het na vijf uur ‘s
middags al aardedonker is geworden, de nieuwsgierige maar aartsverlegen dorpelingen bijeen om de vreemde gasten van een afstandje gade te slaan.
Als het eten op is en de kou alleen aan het open vuur nog enigszins op afstand is te houden,
komen de vrouwen uit het dorp zich voorstellen. Altijd hebben ze ‘ara’ bij zich, zelfgestookte
rijstwijn, in oude flessen of in kleine jerrycans waarin ooit motorolie moet hebben gezeten.
Deze ara, die telkens weer anders smaakt, is een vast onderdeel van het ontmoetingsritueel
waarbij wij afwachtend in onze, door de dragers meegesjouwde opvouwbare
campingstoeltjes zijn gezakt en nieuwsgierig kijken naar de vrouwen, hun kinderen en, iets
verderop, de mannen die bij het vuur van de keuken neerhurken.
De vrouwen komen om te dansen en te zingen, in een kring om het vuur, monotoon maar
indringend, mantra’s van verlangen, van liefde en geloof. Kou en vermoeidheid drijven ons
dan, vaak al om een uur of half negen, onze tentjes in. Soms zijn de vrouwen dan nog lang
niet uitgezongen. Als we ons ’s ochtends weer aankleden is het ontbijt al in de maak. Rond
het middaguur lopen we de koksploeg tegen het lijf, die ons opwacht met een warme lunch
van rijst, groenten en wat vlees.
Dansen en ara drinken
In de namiddag lopen voor en achter ons degenen die ons straks weer een maaltijd gaan bezorgen en onze tentjes opzetten. Ze dragen onze tassen, zichtbaar verbijsterd, op de eerste dag, over de enorme hoeveelheid spullen die wij kennelijk niet kunnen missen op deze zesdaagse. Of ze hebben daar paardjes voor. Intussen dragen wij alleen een rugzakje met wat noodzakelijke dagelijkse dingen. Vermoeiend genoeg, want elke dag arriveren we drijfnat van het zweet bij de volgende overnachtingsplaats.
Hoewel we ons de luxe graag laten aanleunen, laat het niemand onberoerd als we zien hoe ’s morgens de dragers zich ontfermen over onze bagage. Ze komen uit de dorpjes aan de trail, dat is immers het idee achter dit project: laat de lokale mensen iets verdienen aan de toeristen. Dus we betalen graag voor de dansgroepjes die ’s avonds aan het vuur komen, en we betalen graag voor de meegebrachte zelfgestookte rijstwijn, al is die niet altijd even lekker. Maar geven we wel genoeg aan de mensen die de hele dag met onze tassen lopen te sjouwen?
Het arme dorp Kudra

Iedereen weet hoe zwaar zijn eigen tas is, en niemand is onaangedaan bij de aanblik van een meisje, vrouw of oude man die een of twee tassen aan elkaar bindt en dat zware pak door een ander op de rug laat zakken.
Elk dorpje regelt het bagagevervoer op zijn eigen manier, afhankelijk van de welvaart in het dorp. Twee dorpen zijn armer dan de rest. Dat zien we aan de schoolkinderen die ons aan het einde van de middag, als we de laatste kilometers naar de camping afleggen, op de bergpaadjes inhalen, de schoolboeken samengebonden op de rug, of die onderweg naar huis zo druk met elkaar aan het ravotten zijn dat wij hen kunnen inhalen.
Zo op het oog fris gewassen en gekamd, levendig en gezond. En geen spoor van de slechte huid door vitaminegebrek, vervuiling en verwaarlozing van de kinderen die je in aangrenzende landen als India en vooral Nepal nog zo vaak ziet. Als kinderen hier schoenen dragen, hebben hun ouders geld, zoals in Korphu. Maar meestal zien we kinderen blootsvoets naar school lopen, een tocht van soms wel anderhalf uur. En als de schoenen ontbreken, dan is er ook geen geld voor paarden. Dan dragen de mensen zelf onze spullen op hun rug, blootsvoets of op goedkope plastic slippers, het hele eind, de hele dag, zoals de mensen van Kudra, een van de pleisterplaatsen langs de trail.
Wij mogen geen snoepjes uitdelen. Zij mogen niet bedelen
In deze rurale samenleving, waar de mensen volledig op zichzelf zijn aangewezen, zonder
elektriciteit maar wel met schoon, helder water uit de vele bergbeekjes die vanaf de
Himalaya naar beneden stromen, leven de mensen van het land en ruilhandel.
‘Selfsupporting’ is ook het woord waarmee de dorpsoudste van Nabji, de 41-jarige Changala,
vader van vijf kinderen, de situatie in zijn dorp omschrijft. Selfsupporting betekent hier: niet
straatarm. De mensen hebben alles wat ze nodig hebben om te overleven, zeker in een land
waar het onderwijs en de gezondheidszorg gratis zijn.
Dit is een vrijwel geldloze economie, en dat verklaart waarom de mensen hier gemiddeld
met minder dan een dollar per dag aan inkomsten toch een redelijk gezonde en welvarende
indruk kunnen maken. Toch willen ze allemaal graag voor het bedrag van 150 ngultrum ,
omgerekend iets meer dan drie dollar, de hele dag onze spullen sjouwen, of, voor het
dubbele bedrag, hun paardje met vijftig kilo beladen en er zelf naast lopen. ‘Sjouwen’, zegt
secretaris Sonam Dorji van de Bhutaanse organisatie van tour operators later die week, als ik
hem in Thimphu spreek, ‘dat was het eerste waar de mensen aan dachten toen ze hoorden
van dit project. Het kwam niet in ze op dat je voor toeristen nog andere dingen kunt doen.
Dat moeten we ze nog leren.’
De prijzen zijn centraal vastgesteld
‘Zijn jullie wel bij mensen in huis geweest?’, vraagt hij. ‘Nee? Jammer, dat zal volgend jaar
anders zijn. ‘Het gaat erom dat ze zelf bedenken wat er voor de toeristen interessant is. Zoals
bij iemand in huis kijken hoe de mensen leven. Zien hoe die ara wordt gemaakt. Je drinkt het
de hele week, maar niemand komt op het idee om je te laten zien hoe je het maakt.’
Hij somt nog wat dingen op waar toekomstige bezoekers aan de trail zich op mogen
verheugen. Mee het veld in om rijst te snijden. Brood bakken. Thee drinken bij mensen
thuis. Meedoen met de lokale sportactiviteiten. De community moet nog leren wat die
toeristen van hen willen. Hij had het ons al eerder gezegd: je zult mensen tegenkomen die
nog nooit een buitenlander hebben gezien. Logisch dat ze niet weten wat die vreemdeling
van ze wil.

Het verklaart ook waarom de overheid de prijzen voor bijvoorbeeld de camping, de dansers,
dragers, lokale gidsen en de kok, heeft vastgesteld: om te voorkomen dat de dorpelingen het
onderling aan de stok krijgen en met elkaar de concurrentie aangaan voor het geld van de
vreemdeling. Alle campingprijzen en tien procent van alle andere inkomsten gaan in een
speciale pot voor lokaal Community Development. De dorpelingen mogen zelf uitmaken
waar dat geld aan wordt besteed. ‘Elektriciteit’, hoopt Sonam, ‘dan hoeven ze niet meer
zoveel hout te stoken’. Maar er zijn ook regels. Wij mogen geen snoepjes uitdelen. En zij
mogen niet bedelen.
Butagasflessen
De opzet van het project, dat je als toerist geld brengt naar een geïsoleerde
boerensamenleving waar veel, maar niet alles, zonder geld te koop is, klinkt prima.
Maar de praktijk is dat je voor drie euro iemand een hele dag je tas van twintig kilo laat sjouwen over
bergpaden waar je zelf soms ternauwernood heelhuids overheen komt, terwijl je probeert geen acht te slaan op de afgrond die op een enkele meter van het pad een diepte bereikt van soms wel achthonderd meter. De mensen die vandaag onze bagage dragen, zullen over een paar jaar, als deze trail vaker is bezocht, misschien geld genoeg hebben gespaard voor de aanschaf van een paardje, legt Sonam Dorji mij later uit in Thimphu, als ik de balans probeer op te maken.
Het gesjouw met alle keukenspullen is natuurlijk ook vreemd, vindt ook Merijn Huijzendveld van Sawadee, die als gids mee is. De keukentjes bij de campings kunnen permanent worden voorzien van de noodzakelijke kookspullen, inclusief de butagasflessen die nu nog door dragers in rieten manden op de rug worden meegezeuld. Dat geldt ook voor de campingstoeltjes en de tenten. Uiteindelijk kan de dragerskaravaan dan een stuk kleiner worden. Maar of de mensen daar zo blij mee zullen zijn?
Dit eerste jaar zullen ongeveer honderd toeristen de trail lopen, vermoedt Nanda Ritsma van
SNV. En volgend jaar misschien wel driehonderd. Als de Nabji Trail een succes wordt, verzekert Sonam Dorji me, zal het idee van zo’n wandeltocht langs nederzettingen op de beboste hellingen van Bhutan ook op andere plaatsen in het land worden ingevoerd. Het geeft de boeren een aardige extra bron van inkomsten, zo buiten het seizoen.
Kinderen sponsoren in Trongsa
De confrontatie met deze arme, lieve, verlegen en zorgzame mensen prikkelt twee
wandelaars in mijn groep tot actie. Als we bij ons vertrek uit Nabji worden uitgezwaaid en
toegezongen door de kinderklas van het dorp, nodigt Sonam Dorji ons uit zijn goede
voorbeeld te volgen. Voor 50 euro per jaar sponsort hij enkele kinderen op de middelbare
school in het stadje Trongsa, op een dag reizen hiervandaan. Zonder geld zouden ze
gedwongen blijven tot een leven in het dorpje, op de boerderij.
Sponsoring, dat lijkt de Nederlanders wel wat. Of ze dan nu maar meteen het kind willen
aanwijzen dat met hun steun mag verder studeren?, vraagt de hoofdonderwijzer. Dat is, in
het aangezicht van al die kinderen, een brug te ver. Niemand wil er één aanwijzen en
daarmee de rest afwijzen. ‘Door hier te zijn als toerist doe je ook al een boel voor de
gemeenschap’, zegt Merijn van Sawadee nog maar eens. Na wat heen en weer gepraat valt
het besluit van een gift in natura aan het schooltje. Daar hebben alle kinderen tenminste wat
aan, het is overzichtelijk en je bent meteen klaar. De hoofdonderwijzer tovert een
verlanglijstje tevoorschijn van spulletjes die de school goed kan gebruiken. De lijst gaat mee
in de wandelrugzak.
Naar Tongtongphey om ‘Hit’-bier te halen
Op de laatste avond, in de houten kiosk met bankjes van Jangbi, willen we een feestje
vieren. Maar er is geen drank.
We vragen twee dragers of ze nog energie over hebben voor een extra klusje. Willen ze voor drie euro de man naar de handelspost van Tongtongphey om het sterke HIT-bier en een fles whisky te halen? Hun gezichten klaren op: voor 300 ngultrum, twee daglonen, willen ze best in drie uur op en neer.
De volgende ochtend maakt Kinley zijn laatste ontbijt, een feestelijke dis ten afscheid:
gebakken patatjes, omelet, toast, thee, koffie. Hij blijkt chef-kok te zijn van het Wangchuk
Hotel in de hoofdstad. Ik vraag hem waarom hij zich een week lang de ontberingen van geen
stromend water, elektriciteit, noch de beschutting van een huis tegen de gure wind en
optrekkende nachtelijke kou, heeft laten welgevallen. In het hotel verdient hij 3000
ngultrum , zo’n 60 dollar, per maand. Niet gek, maar in deze ene week haalt hij 2000
ngultrum binnen, 40 dollar. Daar komen onze fooien dan nog bij.
Als ik twee dagen later vanuit Trongsa in een auto over een slingerende tweebaans
asfaltweg naar Thimphu vertrek, een rit van minstens acht uur, kan ik eindelijk mijn
rekensommetje maken. Hoeveel hebben deze mensen aan mij verdiend? De overnachtingen
(3 euro per nacht, maal vijf), de vergoedingen voor de koks (3 euro per dag), dragers (idem),
gidsen (idem), twee keer een openluchtbad met gloeiend hete stenen in Nabji (2 euro per
keer, is 4 euro), twee avonden dansende en zingende dames bij het vuur (3 euro de man, is 6
euro). En natuurlijk de fooien: Merijn heeft de pot beheerd en ik lap mijn deel van de
fooienpot: 50 euro. Ik kom uit op 120 euro. Daar hebben heel wat mensen voor gesjouwd,
gekookt, gegidst en gezongen. En dat maal honderd, in 2006. Volgend jaar misschien wel:
maal driehonderd.
Als we Trongsa achter ons hebben liggen moeten we nog even langs bij de parkmanager van
de Black Mountains. Daar laden we onze donatie uit, de spullen die straks met twee paardjes
naar de school van Nabji zullen worden gebracht. Vier dozen, met twintig kilo schriften,
pennen, tandpasta, tandenborstels, plastic slippers, nagelknippers, schooltassen, sokken,
zeep, borden, mokken, muskietennetten, spelletjes, scharen, meetlatjes en gekleurd papier.
(EINDE)
Nachrift:
De Nabji Trail bestaat nog steeds en wordt ook wel de Nabji-Korphu Trek genoemd.
Meer informatie: https://www.makaluadventure.com/en/bhutan/bhutan-adventuretour/nabji-trails en https://www.bhutanmountainholiday.com/cultural-heritage-trek-centralbhutan-bhutan.php
Dit artikel maakt deel uit van mijn journalistieke archief over globalisering en internationale samenwerking. Bekijk hier meer buitenlandse reportages.
This work is licensed under CC BY-NC 4.0