john verhoeven content strategie

Iraakse vluchtelingen in Jordanië houden zich liever gedeisd (reportage)

(OnzeWereld, december 2007)

Door John Verhoeven

Jordanië herbergt minstens 700.000 Iraakse vluchtelingen. Ze worden niet erkend, krijgen nauwelijks hulp en mogen niet werken. De Irakezen houden zich schuil, uit angst voor uitzetting. Hoe los je een probleem op dat officieel niet bestaat? Met Stichting Vluchteling en beeldhouwer Gerti Bierenbroodspot op bezoek bij kunstenaars in exile.

Met het clichébeeld van vluchtelingen, mensen die alles hebben achtergelaten en in tentjes verblijven, om de kookpot hurken en aangewezen zijn op de hulp van anderen, met dat beeld heeft kunstenares Gerti Bierenbroodspot helemaal niets. Het is te groot, te onpersoonlijk, vindt ze. ‘Ik kan er niets mee.’ En dus wilde ze gevluchte kunstenaars ontmoeten, collega’s. ‘Hun leed kan ik omarmen’, zegt Gerti, ‘omdat ik het begrijp.’

Gerti woonde en werkte bijna elf jaar in de antieke stad Petra in Jordanië, onlangs verkozen tot een van de nieuwe zeven wereldwonderen. Daar werkte ze vijf maanden per jaar als archeologe. Ze tekende en schilderde er ook veel. Nu is ze terug in Amman, de hoofdstaf van Jordanië, waar ze acht Iraakse gevluchte kunstenaars en intellectuelen ontmoet die in de cultuurarme, snelgroeiende hoofdstad Amman hun weg proberen te vinden.

Stichting Vluchteling werkt mee aan deze ontmoetingen, die medio december in een documentaire bij de AVRO te zien is. Tegelijk kan OnzeWereld zien hoe Jordanië omgaat met de enorme stroom vluchtelingen uit Irak die sinds de oorlog hier verzeild zijn geraakt en moeten proberen te overleven in een omgeving die liever niets te maken wil hebben met deze groep ontheemden.

Iraakse afkomst verbergen

Het is geen goed idee om hier je afkomst te laten merken, zegt Wasan Al Kabi, een mooie, jonge kunstenares met hoofddoek, waaronder een verzorgd gezicht met fijn gepenseelde wenkbrauwen zit. Iraakse vluchtelingen in Amman, ze zijn er wel maar je ziet ze niet. ‘Ik ben gast, maar een ongenode gast.’ En dus heeft ze hard geoefend op een Jordaans accent, en noemt ze haar Iraakse achternaam liever niet. Op haar werk, een transportbedrijf, weet de baas wel van haar achtergrond, maar verder niemand. Ze verdient er 180 Jordaanse dollars per maand met een zesdaagse werkweek. Niet slecht, maar de huur is 120 dollar per maand. ‘Als ze me betrappen hoef ik nergens op te rekenen’, zegt ze. ‘Niemand zal het voor me opnemen.’ Ze is een soort onderduiker, net als alle Irakezen die hier met de status van ‘gast’ verblijven, een predicaat dat minder belooft dan het lijkt.

Tijdelijke gasten

Er zijn vijftig internationale hulporganisaties actief in dit land. Maar geen van alle mogen ze zich specifiek richten op de Iraakse vluchtelingen. ‘Waarom dat is? Het zijn formeel geen vluchtelingen maar “gasten”, tijdelijke gasten wel te verstaan’, zegt Wael Suleiman, de joviale directeur van de christelijke hulporganisatie Caritas Jordanië. Hun exacte aantallen zijn onbekend, schattingen beginnen ergens bij de 700.000 en eindigen bij ruim anderhalf miljoen. Als Jordanië ze officieel als vluchtelingen zou opnemen, zou het ook hun rechten moeten erkennen, en die verplichting wil het land niet op zich nemen.

Caritas moet hier dan ook op eieren lopen, hulp aan Irakezen is alleen mogelijk via programma’s waar ook de gewone Jordaniër welkom is. De organisatie is hier al actief sinds 1967, toen de Zesdaagse Oorlog met Israël miljoenen Palestijnen over de grens joeg en Jordanië de westelijke Jordaanoever verloor: de huidige Westbank, nu bezet door Israël. Caritas geeft humanitaire zorg en onderwijs. ‘De regering respecteert ons’, zegt Wael. Officiële cijfers heeft hij niet, maar hij schat dat zijn organisatie jaarlijks ongeveer 100.000 Irakezen helpt. En heel bewust besteedt Caritas ongeveer 20 procent van haar budget aan arme Jordaniërs, om de regering niet te bruuskeren.

Gerti Bierenbroodspot

 ‘Als een leeuw in zijn hol’.
In een souterrain heeft Gerti Bierenbroodspot een ontmoeting gehad met Mohammed Ghali, een 78-jarige beeldhouwer die ooit een eigen afdeling had in het museum in Bagdad, maar die nu min of meer ondergedoken in Amman probeert nog iets van zijn kunstenaarschap levend te houden. Hij heeft zelfs een eigen website, gemaakt door Amerikaanse bewonderaars, maar de oude Ghali heeft die nooit gezien. Ghali’s beste werken werden in 2003 in één klap vernield door een bom. Bij de aanblik van zijn kapotte levenswerk heeft hij zijn biezen gepakt. Gerti ontmoet mensen in hun huis die op het oog redelijk voorzien zijn, maar die, in haar woorden, ‘vreemd in een decor zitten van geleende of gekregen spulletjes, met nog een paar kleine dingen van thuis, een lampje, een schilderijtje, foto’s. Ze zijn allemaal zo de deur uitgestapt, alleen met een koffer’.

Ze praat met ze, en tekent hun gezicht in houtskool. Ondertussen wordt er gepraat. ‘Talk to me!‘ zegt Gerti dan gebiedend. ‘Vertel hoe het met je gaat.’ In de intimiteit van een kunstenaar die de ander tekent, ontstaan openhartige en emotionele gesprekken.

‘Waar je atelier is, ben je thuis’, had Gerti gezegd. ‘Dus in principe is een kunstenaar nooit een vluchteling. Tenminste, zolang je kunt doorgaan met je werk.’ Maar het valt niet mee door te werken als je illegaal bent, geen geld hebt voor verf of doek, of de omvang van je werk moet terugbrengen van enkele meters naar enkele decimeters, zoals de oude beeldhouwer.

En wat is een kunstenaar zonder publiek? De jonge kunstenares Wasan Al Kabi had in 2003 haar eerste én laatste tentoonstelling. Hier kan het niet, omdat ze illegaal is. Maar: ‘Niets kan me stoppen om te doen wat ik wil’, zegt ze resoluut. ‘Ik heb ambities, ben optimistisch. Ik wilarts worden, én kunstenaar.’ Nog vorige maand heeft een bevriend Amerikaans stel haar kunstwerken meegenomen naar New York voor een expositie. Daar heeft ze haar hoop nu op gevestigd. En verder? ‘Je moet er goed uitzien en blijven lachen’, zegt ze. ‘Zodat de mensen vriendelijk voor je zijn. Dat is nu mijn belangrijkste beleid.’

‘De kinderen werden lastiggevallen’

Voor alle Irakezen hier, kunstenaar of niet, geldt dat ze niet mogen werken. Met Eric van der Lee van Stichting Vluchteling belanden we op de bank thuis bij het Iraakse gezin Razouq. Met zijn vrouw Eman en hun drie kinderen woont Elyas Razouq in een driekamer-appartementje. Zoon Mukhlos (14), dochter Nereen (13), en zoon Fadi (11) hangen een beetje rond. Zijn vrouw werkt min of meer illegaal en brengt wat geld naar huis, hijzelf kan niets doen. Tot voor kort zaten de kinderen op een gratis openbare school. Nu niet meer. ‘Het was moeilijk’, zegt Elyas, ‘omdat de kinderen steeds werden lastiggevallen. We moesten ze wel naar een particuliere school sturen.’

Omdat de honderdduizenden Iraakse ‘gasten’ wel gewoon naar de dokter of naar school mogen, veroorzaken ze overvolle klassen, overbelaste docenten, en lange rijen voor de goedkope klinieken. Dat brengt de nodige spanningen met zich mee. En dan zijn er ook nog de stijgende huurprijzen en de dalende daglonen aan de onderkant van de arbeidsmarkt, waar de armste Jordaniërs concurreren met immigrant-arbeiders uit Egypte, en nu dus ook met Irakezen die, illegaal en rechteloos, voor bijna élk bedrag werken, omdat ze geen keuze hebben.

Caritas mag duizend patiënten gratis doorverwijzen, meer niet

Suhad Zarafili, een kleine, energieke vrouw, runt een van de vijf Caritasklinieken in het land, gevestigd in een arme wijk in het centrum van Amman, waar 60 procent van de bevolking uit gevluchte Irakezen bestaat. Hier, aan de sociale onderkant, wordt de druk van de ‘gasten’ op de Jordaanse voorzieningen met de maand groter. Als het spaargeld op is, kunnen ze uiteindelijk alleen nog hier terecht voor gezondheidszorg. Het aantal patiënten stijgt snel, het zijn er nu al ongeveer tweehonderd per dag.

Suhad mag jaarlijks duizend ernstig zieke patiënten gratis doorverwijzen naar een groot ziekenhuis in de stad – de budgetten blijven achter bij de stijgende behoefte. ‘De voornaamste klachten? Kanker. Diabetes. Hartproblemen’, zegt Suhad. ‘Niet de kwaaltjes die je associeert met vluchtelingen: ademhalingsproblemen, uitdroging, malaria.’ De vluchtelingenorganisatie van de Verenigde Naties, UNHCR, springt bij, maar voorzichtig en mondjesmaat. Niemand wil de regering bruuskeren.

Er is maar één groep Irakezen waar de Jordaanse regering geen moeite mee heeft: de rijke investeerders die hier met hun geld zijn neergestreken en dure huizen bewonen in de hoogst gelegen delen van de hoofdstad, van waaruit ze grote bedrijven runnen. Ze kunnen zelfs de Jordaanse nationaliteit verwerven, een privilege waarvoor ze dan wel 150.000 dollar als een soort borg op de bank moeten hebben staan. Dat valt slecht bij de gewone Jordaniër, die niet veel van deze big spenders moet hebben.

Voor christenen geen plaats meer in Irak

Bij de Razouqs thuis worden de witgepleisterde muren in beslag genomen door een grote Christusposter en foto’s van de drie kinderen. Geen gewone portretjes, maar ‘Eerste Communie’-foto’s, die ik me nog goed herinner van mijzelf en mijn eigen katholieke jeugd. De kinderen staan er in hun witte gewaden, met het kruis op de borst, bij als kleine heiligen. De Razouq’s zijn christenen, en dat verklaart de moeilijkheden die hun kinderen op de publieke school meemaakten. Christelijke Irakezen maakten ooit ruim 10 procent uit van de bevolking, en de Razouqs woonden in Bagdad in een gemengde wijk met andere christenen en islamieten. Die tijd is voorgoed voorbij. In de meedogenloze etnische zuivering die het land van straat tot regeringsdepartement heeft ondergaan, is er voor christenen geen plaats meer.’We have no future’, zegt Elyas.

Aanvankelijk leek het alsof de kinderen thuis zijn omdat ze wat grieperig zijn,het is hier net winter geworden. Maar dan wordt duidelijk dat de oudste tweekinderen niet meer naar school gaan.Zoon Mukhlos blijft al een paar maanden thuis, en dochter Nereen een week of drie. Ze kunnen het schoolgeld niet meer betalen. En de huur, ruim 100 dollar per maand, is ook al twee maanden niet betaald.

Elyas heeft geen idee hoe dit verder moet. Hij heeft een asielaanvraag ingediend bij de UNHCR. Met een vluchtelingenstatus zou het gezin naar elders kunnen vertrekken. Maar welk land laat deze mensen toe? Nederland heeft slechts 125 Irakezen toegelaten. Andere landen zijn niet veel guller. Het is afwachten en kijken wat als eerste gebeurt: de bedelstaf en een gedwongen verhuizing naar een nog goedkoper krot in een omliggend dorp, óf een verblijfsvergunning voor een westers land. Welk land maakt de Razouqs niet uit. Familieleden zitten toch al over de hele wereld, van Noorwegen tot Australië, verspreid.

Afzakken op de welvaartsladder

De ongeveer 700.000 Irakezen vormen nu al ruim 13 procent van de bevolking in Jordanië, en naarmate ze slechter in staat zijn hun rekeningen te betalen en verder afzakken, worden ze een probleem voor de stabiliteit van het land. ‘De Irakezen beginnen boven’, zegt de man die ons deze week rondrijdt, smalend. Hij doelt op de hoger gelegen dure wijken van de stad. Als het spaargeld slinkt, zakken ze af en eindigen ten slotte in de wijken waar ze samen met de bijna 100.000 migrantenwerkers uit de Filipijnen en Sri Lanka en de bijna 30 procent arme Jordaniërs concurreren om de goedkope huizen, het gratis onderwijs en de goedkope klinieken. Rijk en arm, ze gaan allemaal dezelfde kant op. Tot het geld op is.

Vertrekken kan niet, want de meeste Irakezen hebben geen verblijfspapieren of hebben hun tijdelijke vergunning laten verlopen, bang als ze zijn om te worden uitgewezen zodra ze zich melden bij de politie. Ze kunnen zelfs Amman niet uit, want op alle uitgaande wegen in dit zwaar beveiligde land controleren checkpoints iedere passant.

Als het niet zulke zwaarbeladen woorden zouden zijn, zou Gerti, zelf een dochter van verzetsmensen, hun situatie het liefst willen vergelijken met de getto’s in de jaren dertig, waar verschillen in klasse en rijkdom gaandeweg verdwenen en uiteindelijk iedereen, verarmd en rechteloos, die ene kant op moest. ‘Het lijkt wel wat op het Parijs van de jaren dertig’, zegt ze, ‘bevolkt door Wit-Russische en andere Oost-Europese joodse kunstenaars die daar in dure appartementen woonden totdat het geld op was’. ‘Deze groep wordt meteen uitgebuit, vanaf dag één’, zegt Gerti. ‘Dat gaat door totdat ze niks meer hebben’.

Hulp mag niet zomaar worden gegeven

Caritas kan zich wat permitteren hier, maar dat ligt anders voor de hulporganisatie waarmee Stichting Vluchteling elders in de wereld samenwerkt. Er mogen geen namen worden genoemd, want de organisatie hengelt al maanden naar een vergunning van de regering om hier met de vluchtelingen aan de slag te mogen.

Dat vlot niet erg. Het kantoortje is voorlopig dan ook ondergebracht in een onopvallend woonhuis. Een naambordje ontbreekt, en alleen dankzij onze gisse taxichauffeur, een oude man die Amman heeft zien groeien van een provinciestadje waar de schapen door de straten werden gedreven tot de miljoenenhoofdstad die het nu is, komen we uiteindelijk aan bij het onofficiële kantoortje waar een jonge Oegandees, met verse ervaring in Darfur, sinds een maand de baas is.

Irakezen in de ‘hot seat’

‘Low profile’, vat hij zijn aanwezigheid hier samen. De strategie van de Jordaanse regering is volgens hem in één zin samen te vatten: ‘Keep the Iraqi’s in the hot seat’.

‘Het hele probleem’, vat hij samen, ‘is dat we in onze administratie niet mogen vragen naar de herkomst van mensen. Bovendien durven veel mensen niet voor hun Iraakse achtergrond uit te komen, ze zijn bang te worden uitgewezen.’

Een groep mensen die onzichtbaar wil blijven, in een land dat hun bestaan alleen tijdelijk wil accepteren, zodat de problemen onderhuids blijven. De cirkel is rond.

Toch hoopt de optimistische Oegandees over een paar maanden alle vergunningen te hebben, dan kan zijn club uiteindelijk toch aan de slag. Waarmee? Niet met het standaardpakket hulp waarmee hij tot voor kort in Darfur werkte, geeft hij aan. ‘Er is hier eigenlijk vooral gebrek aan geld om te overleven: voor school, eten, de huur, de verwarming.’

Tot ziens in Bagdad

Niemand rekent op een terugkeer naar Irak. Toch krijgt Gerti telkens weer die uitnodiging ooit, als alles weer normaal is, te komen – thuis in Bagdad. ‘Hartverscheurend’, noemt ze dat. Gerti heeft beloofd terug te komen met de houtskooltekeningen die ze tijdens haar ontmoetingen maakte van haar gesprekspartners. ‘Dat ben ik verplicht. Wij in het Westen, we pakken en we pakken maar, en geven nooit iets terug. We gaan weg en vergeten, sturen zelfs niet eens een foto-afdrukje na. .Ik wil niet in die leugen terechtkomen van beloven en niet nakomen.’

De Iraakse Ward, een levendige kleine vrouw, weet dat het huis van haar ouders er nog staat, wat ze belt regelmatig met de buren in Bagdad. Laatst was er een bom afgegaan in de straat, alle ramen van de woning moesten worden vervangen. Toen heeft ze geld overgemaakt voor de reparaties. ‘Direct na de oorlog hadden we nog hoop’, zegt ze. ‘Nu komt onze tijd, dachten we na de val van Saddam. Maar ineens bleek er voor ons geen plaats meer te zijn.’

Nu leeft ze van het klein beetje geld dat ze illegaal verdient met dagelijkse klusjes en vertaalwerk, en woont ze met haar moeder in een appartement in Amman. Haar moeder, een van de eerste vrouwelijke chemici in Irak, zwijgt vooral, terwijl Ward honderduit praat.

Minka Nijhuis en Het Huis van Khala

Toen zij in 2003 de Nederlandse journaliste Minka Nijhuis ontmoette in Bagdad, had ze deze afloop niet kunnen voorzien. Nijhuis, gefascineerd door de geschiedenis van Ward en haar moeders familie, schreef er een boek over: Het huis van Khala. Ward is er trots op, met een foto van haar moeder als meisje met het gezin op de omslag. Maar zelf heeft ze het boek nooit kunnen lezen. ‘In het boek heet ik Ward. Die naam heb ik zelf gekozen. Ward betekent “roos”.’ De schuilnaam verwijst naar haar echte naam; ook een bloem.

Niemand weet of ze dit ‘huis van Khala’, een mooie villa met een grote tuin, ooit nog zal terugzien. Zolang het kan, spaart Ward drie dollar per dag. Die zal ze straks nodig hebben om de boete te kunnen betalen als bij de grens zal blijken dat de papieren van haar moeder en haarzelf verlopen zijn. Anderhalve dollar per dag per paspoort, dat is de voorwaarde voor een legale vrijgeleide. Hoelang ze dat sparen volhoudt, weet ze niet. Of die vrijgeleide er ooit wel zal komen, evenmin.

Deze reportage kwam tot stand met steun van Stichting Vluchteling.


it artikel maakt deel uit van mijn journalistieke archief over globalisering en internationale samenwerking. Bekijk hier de andere reportages, verslagen en analyses.


This work is licensed under CC BY-NC-SA 4.0