john verhoeven content strategie

‘De toekomst van duurzame globalisering’ (lezing)

Lezing aan het Instituut Management en Economie, Hogeschool van Amsterdam.

Door John Verhoeven (2004)

Opzet van de lezing:
1. Wat is globalisering, voorbeelden.
2. Een definitie (kort). 
3. Drie fasen in de globalisering.
4. De opkomst van een mondiale burgerbeweging. Waarom is dit een belangrijk proces?
5. Suggesties voor een andere globalisering: antiglobalisering, sociale globalisering. 

(English summary in drop-down menu)

1. Introduction: What is Globalization?

  • Globalization affects people differently depending on context and identity.
  • Example: Mexican farmers are impacted by cheap American imports due to NAFTA, leading to unemployment and urban migration.
  • Globalization is not only economic; it is also social and cultural.

2. Definition of Globalization

  • Globalization is the internationalization of economic, cultural, social, and political processes.
  • It increases worldwide integration and interdependence.
  • Has two sides: inevitable network effects (trade, technology, information) and the policy/legal frameworks that shape it.
  • Current rules mainly serve Western business and governments; social aspects are underrepresented.

3. Three Phases of Globalization

  • Phase 1: Growth of multinational corporations since the 1970s.
  • Phase 2: Increased interlinkage of economies and financial markets, supported by free trade agreements and neoliberal policies.
  • Phase 3: Rise of global civil society movements since the late 1990s, fueled by IT revolution and easier travel.

4. Emergence of Global Civic Movements

  • Neoliberal globalization has weakened national governments, shifting influence to international organizations and multinationals.
  • Civil society groups advocate for ordinary citizens and challenge the shortcomings of the system.
  • National governments now have less control, and citizens have less voice.

5. Suggestions for Better Globalization

  • Make markets genuinely free and open, including for products from the Global South.
  • Encourage regional cooperation among developing countries.
  • Recognize and facilitate migration, protecting workers’ rights.
  • Guarantee basic social rights globally.
  • Tailor globalization policies to local contexts—“no one size fits all.”

Conclusion:

The rise of global civic movements represents an essential and positive trend, suggesting that a more humane globalization is possible and desirable.

1. Inleiding. Wat is globalisering?

Waar hebben we het over als we het over globalisering hebben?
Dat is voor iedereen iets anders. Afhankelijk van waar je bent, wie je bent, wat je bent. Voor de Mexicaanse boer betekent globalisering dat zijn land spotgoedkoop Amerikaanse maïs importeert, zo goedkoop dankzij de subsidies van de Amerikaanse overheid, dat hij wel kan stoppen met zijn boerderijtje. Dus die boerderij gaat dicht, de grond verwaarloost, die man gaat zijn maïs voortaan gewoon in de winkel kopen. Dat is goedkoper. Sinds het vrijhandelsakkoord van Nafta (North American Free Trade Agreement) is de Amerikaanse export van maïs naar Mexico tussen 1994 en 2001 achttien keer zo groot geworden, dat wordt de komende jaren nog veel meer worden omdat dan de laatste belemmeringen wegvallen.

Dus dat zie je: dorpen lopen leeg, boeren gaan iets anders doen. Zo’n man wordt bijvoorbeeld los arbeider, hij verhuurt zich als bouwvakker langs de kust waar veel hotels worden gebouwd voor de toeristenindustrie. Of hij wordt schoenpoetser. In elk geval wordt hij iemand die zijn maïs voortaan in de winkel gaat kopen. Dat heeft allerlei gevolgen: verpaupering, zowel op het platteland als in de steden, waar die boeren meestal met hun gezinnen in de sloppenwijken terechtkomen. Omdat ze op hun nieuwe arbeidsmarkt allemaal dezelfde kwalificaties hebben (namelijk geen) is de concurrentie moordend, het loon dus laag, en als de toeristenindustrie een moeilijk jaar heeft zitten ze allemaal in hetzelfde schuitje. 

Je moet je voorstellen dat de trek van het platteland naar de stad overal gaande is, al decennia, en die gaat zeker door. De hele wereld is bezig te veranderen van een landbouwsamenleving in een stedelijke samenleving. Je moet het platteland ook niet idealiseren: hard werken voor lage of geen lonen, vooral voor vrouwen en kinderen, en van jaar tot jaar sterk wisselende welstand.

Geert Mak

Dat proces van verstedelijking hebben we ook in Nederland gezien, in de jaren vijftig en zestig. Geert Mak heeft daar een heel goed boek over geschreven: ‘Hoe God verdween uit Jorwerd’. Het verschil met Mexico is misschien dat dit proces van verstedelijking in Nederland stap voor stap werd gezet, het was als het ware ons eigen proces, en met behulp van subsidies, van overheidsregulering, is die overstap gemakkelijker gemaakt. Hier heeft dat redelijk gewerkt. Maar in Mexico en dat soort landen, India bijvoorbeeld, doen zich nu rampen voor. Die samenlevingen zijn totaal niet ingesteld op zo’n trend van verstedelijking, er zijn geen echte alternatieven voor boeren die naar de stad trekken, dus plegen boeren daar met duizenden zelfmoord, in India in twee jaar tijd 35.000. Of ze trekken naar de stad, en worden taxichauffeur (als ze geluk hebben).

Vorige maand trof ik er nog zo een in Bombay, een man die zijn gezin op 1500 kilometer afstand had zitten, die zijn vrouw en kinderen twee maanden per jaar zag en dan genoeg geld verdiend moest hebben om iedereen het jaar door te helpen. Dat is toch wel een keihard verhaal. 

Dit voorbeeld maakt voor mij heel duidelijk hoe sterk globalisering ingrijpt in de levens van mensen. Het is niet alleen een economisch fenomeen, maar het is vooral ook een sociaal en een cultureel proces. Dat is mijn eerste conclusie: globalisering gaat niet alleen over economie, maar over samenlevingen. Achter elk groeicijfer van de dienstverlening zit een boer die schoenpoetser is geworden, of taxichauffeur. 

2. Globalisering, een definitie

Globalisering is de internationalisering van economische, culturele, sociale en politieke processen en de toenemende samenhang tussen deze processen op wereldschaal. Dus: toenemende mondiale integratie van economieën en samenlevingen. 

Het proces van globalisering heeft grofweg twee kanten.

De eerste is de wereld als autonoom functionerend netwerk: dan heb je het over handel, investeringen, de ontwikkeling en export van technologie, over nieuwe productiemethoden, informatiestromen, kennisuitwisseling: kortom, over alle krachten die de onderlinge verbanden tussen de samenlevingen en burgers versterken. Hierin zit een element van onvermijdelijkheid: dit is de trend, niemand kan dat tegenhouden. 

De tweede kant aan globalisering is de bestuurlijke, organisatorische: de manier waarop de internationalisering in banen wordt geleid. Dan hebben we het over de liberalisering van handel maar ook over milieubeleid, mensenrechten, arbeidsrechten, en kernvoorwaarden voor een menselijke samenleving zoals het recht op bezit, recht op onderwijs. Welke afspraken maak je wereldwijd over bescherming van intellectueel eigendom, hoe regel je patentrecht, welke grenzen gaan open voor welke producten en welke blijven dicht, wat doe je met arbeidsmigratie, dat soort vragen.

Dit zijn de politieke vragen, dit is de kant van globalisering die je wel kunt beïnvloeden. Die uitvoering van het globaliseringsbeleid bepaalt feitelijk het gezicht van die globalisering. Mijn conclusie is dat de huidige regels voor globalisering vooral de belangen dienen van het bedrijfsleven, en dan vooral het westerse bedrijfsleven, en de westerse regeringen. De maatschappelijke en sociale aspecten zijn heel erg ondervertegenwoordigd. Dat is volgens mij ook de belangrijkste reden dat er momenteel zoveel kritiek is uit allerlei circuits op de manier waarop het er nu in de wereld aan toegaat. 

3. Drie fasen in de globaliseringsgolf 

Dit heeft een heel begrijpelijke achtergrond, en daarmee kom ik op de geschiedenis van globalisering. Ik zal dit heel kort houden. We kunnen drie fasen onderscheiden. 

+ De eerste is de internationalisering van het bedrijfsleven, dus de groei van multinationals, in aantallen en omvang.
Dat proces is grofweg gaande sinds de jaren zeventig. En dat gaat nog steeds door. In 1988 werd er wereldwijd ongeveer 110 miljard dollar besteed aan grensoverschrijdende fusies en overnames door bedrijven. In het jaar 2000, amper twaalf jaar later, is dat bedrag al tien keer zo hoog.  

+ De tweede fase in de globalisering was daar een logisch vervolg op. Ik doel op de internationalisering, de toenemende verknooptheid, van economieën en de financiële markten.
Dit is pas echt op gang gekomen in de loop van de jaren tachtig om de multinationals de ruimte te geven die ze vroegen. De groei van vrijhandelsakkoorden, de ontwikkeling van GATT tot wat nu de WTO is, de liberalisering van de financiële markten en vergeet niet de val van de Muur: het westerse economische model werd overal geëxporteerd. Er is daardoor heel veel regelgeving ontstaan die helemaal was geënt op het geven van zoveel mogelijk ruimte aan bedrijven middels vrijhandel, volgens het model van de Washington Consensus: zoals privatisering van publieke diensten. Dit model van neoliberale globalisering is sindsdien voor alle landen ter wereld van toepassing verklaard: alle belangrijke spelers, zoals Wereldbank, IMF, WTO, de VS en de EU, hebben dit model omarmd.  

+ De derde fase in de globalisering is opnieuw een logische, en in mijn ogen heel gezonde reactie op het voorgaande: we zien nu, sinds het eind van de jaren negentig, heel sterk de opkomst van een nieuwe mondiale burgerbeweging.
De internationalisering van de civil society: niet-gouvernementele groeperingen die opkomen voor de belangen van de gewone burger. De mondialisering van de burgerbewegingen zien we terug in de opkomst van de andersglobalisten, sinds 1999 tijdens de bijeenkomst van de WTO in Seattle.

Deze trend is vooral ook het gevolg van de revolutie in de IT: de opkomst van e-mail en internet maken mondiale uitwisseling van informatie heel eenvoudig en vooral ook goedkoop. Tel daarbij op de prijsval in internationaal vliegverkeer.

Er is in enkele jaren tijd een nieuw en wijdvertakt netwerk van burgerorganisaties ontstaan. Uitwisseling van informatie maakt die organisaties machtig, vooral ook omdat mensen zich realiseren dat ze er niet alleen voorstaan. Deze clubs bestaan vaak al sinds de jaren zestig, soms zijn ze ouder, maar hun macht is sinds de jaren zestig alleen maar gegroeid. 

Concluderend: de opkomst van de burgerbewegingen is een logische en heel nuttige fase in de globalisering die ertoe zal leiden dat economische processen ook worden bekeken naar hun sociale en maatschappelijke gevolgen. Sterker: ik denk dat de opkomst van deze mondiale beweging van burgers de belangrijkste ontwikkeling is van de laatste vijftien jaar. 

4. De opkomst van de mondiale burgerbeweging

Ik schets twee grote gevolgen van de neoliberale globalisering voor de wereld en de burgers.

+ In de eerste plaats heeft de neoliberale globalisering ervoor gezorgd dat de rol van de nationale overheden in enkele decennia enorm is veranderd. Dat is een heel sluipend proces geweest en veel mensen zullen zich dit niet realiseren. Want regeringen zullen zelf niet zo snel toegeven dat ze veel macht zijn kwijtgeraakt. Toch is dat zo. Nationale overheden zijn enorm verzwakt. Dat geven de bedrijven zelf ook wel toe, in zeldzame momenten (zoals de CEO van Goodyear in de documentaire The Corporation het zei: “Regeringen zijn machteloos geworden vergeleken met vijftig, zestig jaar geleden”.

Door globalisering verplaatst de politieke macht zich steeds meer naar buiten de landsgrenzen: alle belangrijke beslissingen voor Nederland worden al in EU-verband genomen, daar heeft onze regering al helemaal niet meer zoveel over te vertellen. Dat geldt nog veel sterker voor arme landen. Instellingen als Wereldbank en IMF hebben zodanig veel macht verworven dat ze hun regels kunnen opdringen aan landen, of die dat nou willen of niet. Ze moeten gedwongen hun publieke diensten privatiseren, bijvoorbeeld.

Rusland: hulpbronnen verpatst

Dat proces zie je nu overal ter wereld: water, elektriciteit, staatsbedrijven, alles wordt geprivatiseerd. Waar dat toe kan leiden is duidelijk geworden in Rusland, waar iedereen nu wel van toegeeft dat er toen heel veel is misgegaan. In die periode na de val van de Muur en de instorting van het communisme heeft dat land in korte tijd een groot deel van zijn natuurlijke hulpbronnen (olie, aardgas) voor een fractie van de werkelijke waarde verpatst aan grote buitenlandse oliemaatschappijen, die vaak met behulp van lokale stromannen opereerden. Het woord diefstal is daar nog te net voor, daar is het woord roofdierkapitalisme voor uitgevonden.

Dus Rusland is voor honderden miljarden dollars bezwendeld, en de daders lopen gewoon rond. Sterker: ze zitten op de tribune bij bijvoorbeeld Chelsea, die nieuwe directeur, Abramovitsj, is typisch zo’n oliebaron die toen zijn fortuin heeft gemaakt. Goed opgeleid in Amerika, en met buitenlands kapitaal hebben ze toen de staatsbedrijven opgepikt, er lopen nu in Rusland een stel van die jonge veertigers rond, die allemaal op dezelfde manier aan hun miljarden zijn gekomen.

Die andere oliebaron waarmee Poetin het zo aan de stok heeft, Chodorkovsky, is er ook zo een.

Dat is allemaal gebeurd onder aansturing en op gezag van de Wereldbank. Dat proces is later heel precies beschreven door Joseph Stiglitz, de Nobelprijswinnaar Economie 2001 in zijn boek. Stiglitz was toen chief economist bij de Wereldbank.

En niet eens illegaal dus. Het toont aan hoe kwetsbaar regeringen van arme landen zijn als ze de verkeerde adviezen krijgen en die moeten opvolgen. Veel economische macht, met grote invloed op politieke processen, is verschoven richting multinationals, naar bedrijven die vanwege hun grensoverschrijdende karakter steeds moeilijker te controleren zijn door nationale overheden. De Wereldbank en het IMF doen de rest. Het meeste stemgewicht bij die instituten ligt immers bij de VS en enkele andere rijke landen, armere landen hebben daar niets in te brengen.

‘Fome zero’: tegen de honger

Dus het is een feit dat de rol van nationale overheden is gemarginaliseerd. Zelfs een land als Brazilië, toch het vierde ter wereld en met veel economische potentie, kan niet haar eigen financiële en economische beleid uitstippelen. De nieuwe president Lula da Silva wil de armoede en de honger terugdringen (het programma “fome zero”), de dakloosheid bestrijden, en hij heeft beloofd de twintig miljoen landloze boeren aan een stuk grond te helpen. Hij heeft het goed voor, maar het zal hem niet lukken: want het economische beleid van Brazilië wordt maar op een plaats bepaald, en dat is op de financiële markten van de wereld, in New York en in Londen.

Als het belang van de internationale financiële wereld in gevaar komt dan wordt Brazilië, als gevolg van het vrije geldverkeer, slachtoffer van speculatie tegen de reaal, er wordt zwaar ingezet op een koersval, de reaal wordt massaal gedumpt om dat proces op gang te brengen, de koersen komen onder druk, er ontstaan geruchten, die wakkeren de ellende alleen maar verder aan, de inflatie loopt op, buitenlandse beleggers trekken hun dollars terug, de economie keldert, werkloosheid groeit en kortom, het hele land wordt in de ellende gestort. Daar kan de regering niets aan veranderen. Alleen een land als China kan zich wapenen, omdat het zo ontzettend groot is en inmiddels een onnoemelijk grote hoeveelheid harde dollars op een bankrekening heeft staan (ik meen iets in de orde van 230 miljard dollar) dat de financiële wereld het wel uit haar hoofd laat om tegen de Chinese yuan te gaan speculeren.  

Dus de conclusie is dat de nationale overheid veel greep op haar eigen beleid is kwijtgeraakt, en dat daarmee ook de invloed van de burger op zijn eigen samenleving veel kleiner is geworden.

Kijk maar naar Brazilië: Lula heeft het hart op de goede plaats maar hij kan niet doen waar de mensen hem voor hebben gekozen, wat hij heeft beloofd. Er is dus behoefte aan een nieuwe balans tussen overheid, markt en de civil society.  

Nike en Hilfiger

+ De tweede reden waarom het zo belangrijk is dat burgers op mondiale schaal weer een stem krijgen, is het feit dat het neoliberale model van globalisering op allerlei fronten veel minder goed blijkt te werken dan we tien jaar geleden nog dachten.

We hebben gezien dat de economische dynamiek in vooral arme landen niet of onvoldoende heeft geleid tot een duurzame welvaartsgroei. Korte oplevingen zijn gevolgd door enorme terugslagen, zoals bijvoorbeeld in het al genoemde Mexico.

De komst van tienduizenden slechtbetaalde banen in de maquiladores, de sweatshops waar Nike en Tommy Hilfiger hun spullen lieten maken, heeft in de jaren negentig geleid tot een kortstondige opleving van de groeicijfers, maar ook tot een grote maatschappelijke ontwrichting: de leeggelopen dorpen, teloorgang van landbouw, noem maar op. Als die maquiladores dan maar zouden blijven en een motor worden voor economische groei kunnen ze een ontwikkeling doormaken, van massaal en goedkoop naar beter en duurder, of zoiets. Dus hogere kwalificaties voor de arbeiders, hoger loon, een sterker marktaandeel.

Maar niets van dat al in Mexico: de tijd was te kort om echt iets op te bouwen, de multinationals die daar hun producten lieten maken hebben daar ook helemaal geen belang bij, die willen alleen goedkope spullen en geen concurrentie voor hun eigen merk. Inmiddels, amper tien jaar na het begin, is alweer ruim een kwart van alle ‘maquiladores’ gesloten. De productie is verplaatst naar andere landen met nog lagere lonen, zoals China. 

Geen bescherming van het milieu

Het is trouwens typisch dat globalisering vooral succesvol is voor arme en niet-democratische landen. Die hebben immers niets te maken met de wensen van de bevolking, die hoeven geen vakbonden te tolereren, die kunnen gewoon doen wat ze willen, dus bijvoorbeeld 200 miljard dollar op de bank zetten in plaats van dat geld te besteden aan betere scholen of arbeidsomstandigheden. Een land als Brazilië heeft die positie niet, die heeft een bevolking die stemt en die eisen stelt aan de president, een heel andere situatie dus. 

Nog een groot manco in het huidige neoliberale model is dat dit geen enkel oog heeft voor de bescherming van het lokale milieu, arbeidsrechten, recht op onderwijs, dat soort dingen. Juist in arme landen is wetgeving en toezicht op de naleving ervan nogal gebrekkig en gevoelig voor corruptie, de gevolgen zijn er naar. En als de lokale overheden daar toch ernst mee proberen te maken kunnen bedrijven heel gemakkelijk verkassen naar een buurland dat wel een oogje wil dichtknijpen. 

Privatisering van drinkwater

Nog een probleem in het huidige model is bijvoorbeeld de mislukte privatiseringen van publieke diensten, een hobby van IMF en Wereldbank. Vaak gaat dat mis, maar niet altijd.
Neem bijvoorbeeld de privatisering van drinkwater in Johannesburg. De regering wilde dat helemaal niet, maar het moest, anders kreeg het land geen nieuwe leningen van de Wereldbank. De privatisering van het water in Johannesburg leidde er toe dat in enkele jaren tijd enkele tienduizenden burgers voor kortere of langere tijd werden afgesloten van schoon drinkwater. Dat kon omdat het bedrijf had bedacht dat het in de armere wijken prepay-watermeters kon neerzetten. Dus water als een product dat je kunt kopen als je geld hebt en dat je maar moet missen als je dat niet hebt. Dus die arme Afrikanen moesten wel vuil water gaan gebruiken, wat weer gezondheidsrisico’s met zich meebracht en waar de regering dan vervolgens weer de rekening voor betaalt. Water is nu op allerlei plaatsen in de wereld een heet hangijzer. Regeringen proberen in de regel de hele bevolking te bedienen, kwestie van goed beleid, net zoals je wilt proberen zoveel mogelijk kinderen naar school te laten gaan.

Maar bedrijven zien in drinkwater een enorme groeimarkt: overal zijn CocaCola, PepsiCola en bijvoorbeeld ook Danone en het Franse waterbedrijf Suez bezig om gemeentelijke waterbedrijven op te kopen. Soms werkt dat, zoals in Buenos Aires, waar sinds de privatisering ik meen 40.000 bewoners nieuwe toegang hebben gekregen tot drinkwater. Maar vaker gaat het mis, en wordt water ineens veel duurder en daarmee ontoegankelijker. In sommige landen betalen mensen soms wel een derde van hun hele loon aan schoon drinkwater, trouwens ook wel op plaatsen waar niet is geprivatiseerd en waar mensen geen toegang hebben tot de kraan. 

De negatieve gevolgen van het huidige systeem voor landbouw heb ik al genoemd. Open grenzen voor gesubsidieerde landbouwproducten uit de rijke landen vegen lokale boeren van de kaart. Vergeet niet dat negentig procent van alle boeren in de wereld voor de eigen lokale markt produceert. Die mensen willen helemaal niet exporteren, die willen gewoon hun gezin te eten geven. Landbouw en globalisering verdragen elkaar dus heel slecht.  

De conclusie is op dit punt dat het huidige neoliberale model vooral redelijk goed lijkt te functioneren in ontwikkelde samenlevingen, met een sterke overheid, en grote, vertrouwde organisaties die de belangen van de burgers behartigen – denk vooral aan vakbonden – en een onafhankelijk rechtsstelsel waar de partijen elkaar kunnen treffen om hun conflicten op te lossen. Maar die wereld is veel kleiner dan je denkt: in het grootste deel van de wereld bestaat die situatie niet. 

Daarnaast kunnen we vaststellen dat de invloed van de nationale overheden op het beleid steeds kleiner is geworden, waardoor de burger geen stem meer heeft. Dat lijkt mij niet goed. En een tweede conclusie is dat het huidige model van globalisering ook om puur economische redenen lang niet overal goed werkt, om het maar eens vriendelijk te zeggen. Wel voor de westerse bedrijven, niet voor de lokale economie en lokale bedrijven.  

5. Het laatste deel van mijn verhaal gaat over de vraag: hoe lossen we dat dan op? 

Daar ben ik eigenlijk wel aardig optimistisch over. Om te beginnen is de kritiek op het huidige stelsel in korte tijd enorm gegroeid. De andersglobalisten zijn al lang niet meer die bivakmutsen die ruiten van winkels ingooien, nee, het zijn honderden internationale burgerorganisaties zoals Novib, Greenpeace, Amnesty, vakbonden, boerenorganisaties, kerken. En die clubs krijgen nu ook de steun van gerenommeerde economen als Joseph Stiglitz, de Nobelprijswinnaar, Paul Krugman, econoom, president Wolfenssohn van de Wereldbank, Klaus Schwab, de oprichter van het World Economic Forum, en Horst Kohler van de IMF, Bill Clinton, bekende politici, noem maar op, het worden er steeds meer. 

Ik geloof eigenlijk niet dat er nu nog veel mensen zijn die durven te beweren dat het allemaal goed gaat zoals het gaat. Alleen misschien nog Frits Bolkestein, die maar blijft volhouden dat de andersglobalisten er niks van begrepen hebben en dat het allemaal verkapte marxisten zijn. Bolkestein, die hoogbejaarde liberaal van de oude stempel, is gewoon een apostel van de neoliberale kerk, en iemand die met zijn rug naar de mensen staat, en als hij omkeert dan zal hij zien dat zijn neoliberale kerk heel snel aan het leeglopen is, ook door zijn voormalige medestanders.  

Wat zou er zoal dienen te veranderen? 

1. Om te beginnen zou de vrije markt eens echt wat vrijer moeten worden, de rijke landen zouden hun markten echt eens moeten openstellen voor producten uit het zuiden.
Niet alleen voor grondstoffen maar ook voor doorontwikkelde producten. Als het westen de landbouwsubsidies zou schrappen, dat zal dit meer betekenen voor de groei van de welvaart in het zuiden dan wat ook. 

2. Ten tweede is het zo dat ook arme landen vaak heel erg protectionistisch zijn, ook ten opzichte van elkaar.
Als arme landen hun eigen grenzen opengooien voor hun buurlanden krijg je ook al een enorme nieuwe economische dynamiek. Het is positief dat deze zuid-zuid-handel nu dan toch sterk aan het groeien is, vooral onder invloed van Brazilië, India en Zuid-Afrika. In Afrika zijn recent nog drie nieuwe handelsakkoorden ingesteld die vrij handelsverkeer tussen diverse landen moeten bewerkstelligen. 

3. Derde punt is arbeidsmigratie.
Zolang de kloof tussen arm en rijk zo groot is zullen mensen uit arme landen naar de rijke landen trekken om daar geld te verdienen. Volgens de ILO, de International Labour Organisation, waren er in 2002 wereldwijd 120 miljoen migrantenwerkers en hun gezinnen in een ander land aan het werk. Zowel legaal als illegaal. Deze mensen sparen als gekken, ze sturen allemaal heel veel geld naar huis. In de VS bijvoorbeeld werken tien miljoen immigranten uit Latijns Amerika. In 2003 maakten ze samen dertig miljard dollar over naar hun moederland. In Mexico ontvangt 18 procent van alle inwoners geld uit het buitenland van een werkend familielid. In El Salvador is dat 28 procent, voor heel Midden-Amerika is het gemiddelde 23 procent.

Deze ‘remittances’ zoals ze heten, dragen meer bij aan de welvaartsgroei dan wat ook. Steeds vaker gaat dat geld ook naar de middenklasse, geen consumptief geld maar bedoeld voor lokale investeringen. Winkels, een garage, een taxi, dingen waarmee lokaal dus ook weer de economie impulsen krijgt. Het zou dus slim zijn dat westerse landen deze migranten binnenhalen in plaats van hen te criminaliseren, en ze op een tijdelijk visum laten werken, net zoals bv. de Amerikanen dat doen. Dat is goed voor onze samenlevingen en voor de hunne, op termijn. Het centrale aspect is hier het legale (dus er wordt belasting betaald) en het tijdelijke (je loopt als samenleving niet het risico dat migranten hun hele leven gebruik maken van de sociale stelsels). Zo’n tijdelijk arbeidsvisum zou ook een einde maken aan soorten van uitbuiting waarvoor nu vooral illegale werkers heel kwetsbaar zijn, denk maar aan vrouwen.  

4. Op de vierde plaats is het van belang dan de mondiale burger de rechten krijgt die wij hier al lang geleden hebben bevochten.
Betaalbare gezondheidszorg, recht op onderwijs, recht op gelijke behandeling van mannen en vrouwen, verbod op kinderarbeid, een reeks basisrechten voor arbeiders zoals het recht op organisatie, ziektegeld, een zekere ontslagbescherming, een maximum aantal arbeidsuren per dag, dat soort dingen.

Die regels hebben van ons land een fatsoenlijk en ook een rijk land gemaakt. Het is niet de bedoeling wat wij hier voor alle landen ter wereld dezelfde rechten regelen, dat zouden ze zelf moeten doen, in regionale verbanden. We kunnen van hieruit wel voorkomen dat arme landen alleen maar interessante vestigingsplaatsen blijven voor bedrijven juist omdat wetgeving ontbreekt. We zouden westerse bedrijven kunnen dwingen zich te houden aan een aantal basiswetten op dit punt, om te voorkomen dat landen onderling worden uitgespeeld. Hier kunnen internationale vakbonden een grote rol in spelen en de al bestaande regionale handelsakkoorden van landen. 

5. De vijfde en laatste tip is: geen ‘one size fits all’.
De grootste fout van het huidige stelsel is het idee van een uniforme benadering, een recept dat voor alle landen hetzelfde is, arm of rijk, het neoliberaal concept dat voor alle landen ter wereld van toepassing is. Dit blijkt gewoon niet te werken. De privatisering van water of elektriciteit is voor Nederland een normale discussie, daar loopt geen bloed uit, en dan nog zijn we er jaren druk mee. 

In andere landen kan dat heel anders liggen. Dus laten we afstappen van dat idee van “one size fits all” voor globalisering. Wat we nodig hebben, is maatwerk. Op de ene locatie kunnen privatiseringen heel goed werken, op andere plaatsen niet. Soms is een zekere handelsbelemmering slecht, maar grote landen kunnen soms wel wat tijdelijk protectionisme gebruiken, al was het maar om bijvoorbeeld beginnende industrieën een poosje af te schermen van de boze buitenwereld, zodat ze zich op de binnenlandse markt enigszins kunnen ontwikkelen. Soms is privatisering uit den boze, bijvoorbeeld omdat echte marktwerking niet haalbaar is. Soms is het de beste oplossing.  

6. Conclusies

Mijn conclusie is dat succesvolle en menselijke globalisering lokaal maatwerk vergt, maatwerk dat wordt verricht door eigen politieke centra, door lokale burgers, eventueel bijgestaan door de internationale organisaties die opkomen voor de belangen van de mondiale burger.

Greenpeace, Via Campesina of de ILO?

Dat kan Greenpeace, of Amnesty, maar ook de ILO (International Labour Organization) zijn, die overal ter wereld lokale vakbonden steunt. Of een boerenorganisatie als La Via Campesina, tien jaar geleden opgericht in Honduras, en nu al met allianties en samenwerkingsverbanden met boerenorganisaties in zeventig landen, ook in het westen, en die overal de belangen van kleine boeren behartigt en inmiddels 150 miljoen families achter zich heeft staan. 

Tenslotte nog dit: de opkomst van de mondiale burgerbeweging is volgens mij de belangrijkste ontwikkeling van de laatste vijftien jaar. Er ontstaat een nieuw mondiaal burgerschap van mensen die willen meepraten over de architectuur van een mondiale samenleving, die niet alleen oog heeft voor economische belangen maar kijkt naar leefbaarheid en welvaart voor zoveel mogelijk mensen. Persoonlijk zie ik niet in wie dat zou kunnen tegenhouden. Die burgerbeweging wordt elke dag sterker en groter.

En ik ben het eens met Noam Chomsky die zegt dat er van deze beweging een grote beschavende werking uitgaat. Daarom ben ik optimistisch. Het motto van die beweging is: ‘een andere wereld is mogelijk’. Voor mij is dat geen leuke gedachte, maar een constatering.

(einde)


Dit artikel maakt deel uit van mijn persoonlijke journalistieke archief over globalisering, internationale samenwerking, en sociale bewegingen in de periode 2001-2010. De buitenlandse reportages, analyses, blogs en interviews werden vooral gepubliceerd in het maandblad OnzeWereld, maar verschenen ook elders (o.a. Trouw, De Volkskrant, Joop.nl en Sargasso.nl).  


This work is licensed under CC BY-NC-SA 4.0