April 2005 onzeWereld
Door John Verhoeven
INTRO
Ooit begonnen uit solidariteit met het Sandinistische bewind in de jaren tachtig en negentig, hebben veel Nederlandse gemeenten nog steeds een speciale relatie met een stad in Nicaragua. Maar heeft een stedenband anno 2005 nog wel zin? OnzeWereld reisde een week mee met Hollandse bestuurders en ambtenaren langs bloemen, bonen en heel veel Powerpoints.
REPORTAGE
De Gennepse wethouder Maria Seegers is zo geschrokken van wat ze heeft aangetroffen in de krotwoning in San Pedro de Lovago dat haar stem nog trilt als ze het verhaal vertelt, tijdens een borrel met het reisgezelschap, thuis bij ambassadeur Kees Rade in Managua, de hoofdstad van Nicaragua.
Daar was een vrouw met negen kindertjes, geen man in de buurt, en de jongste, drie jaar oud al, nog steeds niet in staat tot lopen. Overmand door emoties was de wethouder uit het golfplaten huisje gelopen. Iemand van de lokale Omroep Gennep, die de wethouder de hele week op de voet volgt, had spontaan zijn portemonnee getrokken. Hier, op de veranda van deze luxueuze residentie, achter goedbewaakte hekken, en ruim voorzien van kunstwerken uit de vorige – Afrikaanse – standplaats van de ambassadeur, doet de Nicaraguaanse realiteit onwerkelijk aan.
Wat doet een Gennepse wethouder in een krot in het zuidelijke San Pedro in Nicaragua? En wat heeft Zoetermeer te zoeken in de noordelijk gelegen stad Jinotega? En waarom loopt een Leidense wethouder een week lang rond in Juigalpa?
Hun aanwezigheid is een erfenis uit de tijd van de Sandinisten. Toen gingen Nederlandse gemeentebesturen uit solidariteit met hun Nicaraguaanse broeders een stedenband aan. De socialistische revolutie moest ondersteund, het verpauperde land opgebouwd. Veel is inmiddels veranderd, en sommige broederbanden zijn op dood spoor beland of nogal ruw beëindigd, zoals bij Schiedam en Amsterdam. Maar de meeste gemeenten geven niet op.
Landelijk Beraad Stedenbanden
Eind februari, begin maart van 2005 gingen vertegenwoordigers van twaalf steden op stap in Nicaragua, onder leiding van het Landelijk Beraad Stedenbanden Nederland-Nicaragua (LBSNN). Met in hun kielzog een aantal vertegenwoordigers van particuliere organisaties, vooral uit de hoek van onderwijs en Derde wereld.
Het leverde een overvolle agenda op van bezoekjes aan lopende projecten, veel officiële plichtplegingen en intensief contact met lokale bestuurders en ambtenaren. Want de stedenbanden richten zich de laatste tijd vooral op de verbetering van het lokale bestuur. Hoe voer je bijvoorbeeld gemeentebelastingen in? Bovendien proberen de Nederlanders hun gastheren de zin bij te brengen van goede strategische planning, zoals het uitstippelen van een lokaal volkshuisvestingsbeleid, en het opzetten van een gemeentelijk grondbedrijf.
‘Die oude solidariteit is vervangen door technische samenwerking’, zegt directeur Ronald van der Hijden van het LBSNN. ‘Het accent ligt op het versterken van de regisseursrol van gemeenten bij lokale economische ontwikkeling. Ook de particuliere samenwerking is aan het verschuiven: van kleinschalige projecten naar versterking van lokale maatschappelijke organisaties.’
Geen wonder dat de gesprekken deze week worden gedomineerd door ambtelijke terminologie, in een lange rij van debatten en schier eindeloze Powerpoint-presentaties, een communicatievorm die de Nicaraguanen zich met verve hebben eigengemaakt.
Het Limburgse Gennep is, met ruim 16.000 inwoners, een van de kleinere stedenbanders. Na haar bezoek aan de vrouw met de negen kindertjes is Maria Seegers overtuigd: het Gennepse geld wordt hier goed besteed. Het gaat om een bedrag van 6500 euro per jaar. Daarnaast geeft Gennep nog 16.000 euro aan GESP, een lokale Derdewereldclub. Dergelijke, tamelijk bescheiden, bedragen horen we deze week nog vaak voorbijkomen. Het belet de gemeenten niet om hier een week lang met een paar mensen rond te trekken. De kiezer heeft er tenslotte recht op te weten wat er met zijn geld gebeurt. En de bestuurders voelen in toenemende mate de hete adem van de gemeenteraad in de nek. Vrijwel alle steden hebben minstens één kritische raadsfractie die zich afvraagt of dat allemaal wel zo moet.
Op weg naar Juigalpa
We rijden met Leiden en Den Haag over een splinternieuwe asfaltweg – volgens een bord net buiten de hoofdstad betaald door Denemarken – naar Juigalpa, een stad van ongeveer 70.000 inwoners. Dat is waar ook: dit land drijft voor ruim 70 procent op buitenlands hulpgeld. Juigalpa heeft veel landbouw en veeteelt in het grote landelijke gebied rond de stad. Hier hebben Leiden en Den Haag een stedenband. De Leidse wethouder Wim de Boer, voormalig Eerste-Kamerlid voor GroenLinks, komt hier voor het eerst. Dat komt vaker voor bij de bestuurders in dit gezelschap, dat verder nogal wat doorgewinterde Nicaraguagangers telt; vaak ambtenaren die een niet onaanzienlijk deel van hun loopbaan aan de gemeentelijke Stedenband hebben geofferd.
Zoals Karel van Ingen, belast met de internationale betrekkingen van zijn gemeente Leiden. Hij volgt Wim de Boer als een schaduw en fungeert als tolk. Beiden hebben hun vrouw meegenomen. Voor eigen rekening, zeggen we er bij.
Rijke hulpverleners, arme bestuurders
Den Haag en Leiden trekken samen op. Tijdens de meerdaagse tocht langs grote aantallen projecten in het stoffige, hete stadje, vooral op onderwijsvlak, wordt de delegatie telkens ontvangen met toespraken, zingende kindertjes, etentjes en de onvermijdelijke Powerpoint-presentaties in zaaltjes met dreunende airco’s. Het is duidelijk dat de lokale stadsbesturen veel aan hun Nederlandse vrienden danken.
Dat is een aspect van deze relatie dat meer invloed heeft dan je op het eerste gezicht zou denken. ‘De meeste buitenlandse organisaties die hier hun goede daden komen verrichten, beschouwen het lokale bestuur eerder als een noodzakelijk te nemen hindernis dan als een partner’, zegt Remko Slavenburg. Hij is hier als deskundige op het vlak van stedelijke ontwikkeling. ‘We hebben eens uitgezocht dat alle niet-gouvernementele organisaties die in Juigalpa actief zijn, samen tien keer zoveel geld uit te geven hebben dan het gemeentebestuur zelf. Vaak heeft het lokaal bestuur het maar te pikken hoe al die organisaties hier hun geld willen besteden.’
Bij een stedenband zoals we nu zien, staat juist het lokale bestuur centraal in de samenwerking. Dat zal de reden zijn waarom zowel de burgemeester van Juigalpa als zijn raadsleden een avondje en een hele dag uittrekken om de gasten rond te leiden. Al die tijd wijkt de lokale televisieploeg geen minuut van onze zijde. Die avond zijn de Nederlanders het belangrijkste nieuwsitem op de beeldbuis.
Oog voor belang lokaal bestuur
De gekozen burgemeester, een Sandinist, is enthousiast over de samenwerking. De stedenband is de enige club die echt oog heeft voor het belang van beter lokaal bestuur, laat hij weten. Van zijn eigen overheid heeft hij niets te verwachten.
De Nederlandse steden geven hier bij elkaar jaarlijks zo’n twee miljoen euro uit: een half miljoen voor de bestuurlijke samenwerking, en anderhalf miljoen via de particuliere clubs. Den Haag spendeerde in Juigalpa de afgelopen twintig jaar ongeveer 5 miljoen dollar, verspreid over bijna 120 projecten. Den Haag is een van de weinige steden die, naast allerlei kleinere, ook steevast een groot project onder handen heeft. Juigalpa draagt dit project zelf aan.
Agriterra en UNAG
Watervoorziening en herbebossing waren in het verleden twee van zulke grote thema’s. Nu is de gemeente gevraagd om te helpen de grote trek van plattelanders naar de stad te beperken. Voorkomen dat arme families naar de stad trekken, is dat nou iets waar Haagse ambtenaren verstand van hebben?
‘Nee’, zegt de enige Haagse representant in dit gezelschap, Kathelijne Kamp. ‘We geven alleen geld en doen de projectcoördinatie.’ Voor de uitvoering heeft Den Haag contact gezocht met Agriterra, een koepel van plattelandsorganisaties waar veel kennis (en geld) op het vlak van landbouwhulp is gebundeld. Ook de Rabobank Foundation is erbij gehaald. Agriterra heeft er een Nicaraguaanse boerencoöperatie bij gezocht waar het al goede ervaring mee had, UNAG. Het project, ‘Campesinos Sí’ genaamd, wil boeren leren hoe ze andere producten kunnen kweken. Ook krijgen ze materiaal, zoals opslagtonnen, waarmee ze een deel van hun oogst een poosje kunnen opslaan, zodat niet alles tegelijk op de markt aangeboden hoeft te worden.
San Esteban II
En zo belandt de stedelijke delegatie na een stoffige tocht over hobbelige grintwegen in het boerengehucht San Esteban II, waar een speciaal hiervoor aangewezen boer, de ‘vertegenwoordiger van het gesproken woord’, zoals hij hier wordt genoemd, een Powerpoint geeft in een lemen schuur. UNAG heeft een soort kwaliteitssysteem ontwikkeld, waarmee de boeren hun eigen situatie kunnen analyseren. Ook de Nicaraguaanse landbouwuniversiteit is erbij betrokken en biedt goedkoop zaaigoed aan. Er worden workshops gegeven aan de boeren in de hele regio. Tanige mannen zijn, soms met vrouw en kinderen, te paard naar het kerkgebouwtje van San Esteban II gekomen om de gasten met eigen ogen te aanschouwen.
Het project loopt nog geen jaar, maar op het omliggende terrein zijn de eerste resultaten al zichtbaar. Hier groeien nu elf producten, zoals mandarijnen, bananen en mango’s. Dat moeten er vijftien worden. De boeren krijgen professioneel advies en begeleiding bij het kweken, de opslag en het vermarkten van hun nieuwe producten. Als dit lukt hebben de boeren over drie jaar zeventig procent meer inkomen. Dan gaat de UNAG dit pilotproject elders in het land uitrollen.
Geld voor het cursuscentrum
Terwijl Den Haag de laatste jaren veel nadruk legt op het grote project Campesinos Sí, doet Leiden vooral in kleine projectjes. Zoals de plaatselijke ‘escuela politechna’, een soort cursuscentrum voor jong en oud, die hier parttime een beroep kunnen leren: achter de pannen, als loodgieter, of achter de naaimachine. De tientallen glanzende Singer trapnaaimachines die hier in het gelid staan en worden bediend door lief lachende dames, zijn in Brazilië gekocht met geld van het Leidse Regionaal Opleidingen Centrum (ROC). ‘Fijn om te zien dat deze school zo veel heeft aan de naaimachine, een apparaat dat ik me nog herinner van vroeger bij mijn moeder thuis’, zegt De Boer later, in zijn tafelspeech. Ook is iedereen blij met de splinternieuwe fornuizen, de koelkast en de magnetron, aangeschaft van Leids geld.
Good governance als speerpunt
‘Ach, het zal geen eeuwigheidswaarde hebben’, zegt De Boer als hij later de Leidse relatie met deze stad evalueert. ‘De trend is dat de stedenbanden méér inzetten op het verbeteren van het lokale bestuur.’
Dat is, in zijn ogen, een zinvolle beweging, want Nicaragua heeft een soort Gemeentefonds ingesteld, waaruit de gemeenten de komende jaren steeds meer geld en verantwoordelijkheden toegeschoven krijgen. In 2010 moet dat tien procent van de totale rijksbegroting zijn. Het Nederlandse stedenbandbeleid heeft sinds een paar jaar een leidend thema gemaakt van het versterken van lokale ‘good governance’. Daarmee zit het dus precies op de goede lijn.
Maastricht en Rama
Ronald van der Hijden is blij met die ontwikkelingen. Hij wil ‘uiteraard niks afdoen’ aan de goede bedoelingen en de noodzaak van de talloze kleine projecten die de afgelopen twintig jaar via Nederlandse gemeenten zijn uitgevoerd, maar de echte toegevoegde waarde zit hem nu toch vooral in de versterking van het lokale bestuur. Het formele hoogtepunt van de reis is dan ook het afsluiten van een nieuw samenwerkingsprogramma, voor een bedrag van twee miljoen euro voor de periode tot en met 2008.
De Nederlandse ambtenaren zijn aangenaam verrast door het enthousiasme waarmee hun kennis van lokale belastingen of het opstellen van een gemeentelijk uitbreidingsplan daar wordt begroet, vertelt een Maastrichtse bestuurder. ‘Die lui gaan erheen met zo’n gevoel van: wat moet ik daar? Maar ze komen razend enthousiast terug.’ Om die reden heeft Maastricht de band met havenstad Rama nog niet zo lang geleden zelfs nog wat strakker aangehaald.
Begrotingssteun
‘Ik denk dat rond 2010 het proces van versterking van het lokaal bestuur redelijk voltooid zal zijn’, schat Van der Hijden de toekomst in. ‘Dan kan de rol van de stedenbanden op het vlak van ontwikkeling wel worden beëindigd. De banden kunnen dan voortbestaan als vriendschapsbanden, en ook als vehikel voor ondernemers.’ Naarmate de Nicaraguaanse gemeenten meer geld hebben om uit te geven ligt het voor de hand om de vaderlandse ontwikkelingshulp wat meer via deze lokale kanalen te gaan besteden. Maar gek genoeg is daar nu nog geen spoor van te ontdekken.
Het ‘ons ben zuunig’-sfeertje waarmee de Stedenbanders hier toezien op de besteding van hun relatief bescheiden budgetten, staat in schril contrast tot de wijze waarop de Nederlandse landelijke overheid haar centen uitgeeft. Dat geld gaat, met bakken tegelijk, en vaak zonder oormerk, naar bijvoorbeeld de Nicaraguaanse overheid die ermee mag proberen haar begroting een beetje meer sluitend te krijgen. ‘Begrotingssteun’ heet dat, in het jargon. Voor dat doel wordt momenteel jaarlijks tien miljoen euro overgemaakt. De rest gaat naar drie doelstellingen, die allen uitblinken in uiterst vage formuleringen, zoals ‘het versterken van het ondernemersklimaat’.
Een groot verschil met de gemeenten, die zelf elk dubbeltje willen verantwoorden en daarom goedbetaalde bestuurders en ambtenaren op pad sturen om een oogje in het zeil te houden. Toch valt het allebei onder de verantwoordelijkheid van het ministerie van Ontwikkelingssamenwerking.
Misschien, peinst Van der Hijden, zou een deel van de totale twintig miljoen in de toekomst ook kunnen worden gestoken in het versterken van lokale ‘good governance’. Geen onlogische gedachte. Maar het lijkt erop dat alleen de Stedenbanden de trend van groeiende lokale autonomie hebben gezien.
Geld van Zoetermeer voor bloemen
Waar Den Haag er direct deskundigheid bijhaalt, vaart Zoetermeer vooral een eigen koers. Jinotega, een gemeente met zo’n 90.000 inwoners in het heuvelachtige noorden op ruim duizend meter hoogte, moet het vooral hebben van koffieteelt. Ook hier zijn boeren bezig met diversificatie. Sommigen kwamen uit bij bloemen, zodat er op de glooiende hellingen langs de weg al heel wat eenvoudige kassen te zien zijn. Anderen zijn kleinschalig in de weer met sla, tomaten en andere groenten.
De Zoetermeerse ambtenaar Gerard van Wijk, een vriendelijke kerel met baard, pijp en zachte g, is hier al jaren kind aan huis. Hij kan gemiddeld een dag per week als beleidsmedewerker Internationale Samenwerking besteden aan Jinotega. Omdat de bloemen het hier zo goed doen, leek het Gerard een aardig idee wat Zoetermeers geld te stoppen in een onderzoek naar de groeimogelijkheden van deze sector. De studie werd lokaal aanbesteed. Dat bloemenkweek nou toevallig een vakgebied is waar Nederland mondiaal mee vooroploopt, met deskundigheid die gemakkelijk is aan te boren, dat speelde voor Van Wijk kennelijk niet mee.
En zo kreeg Zoetermeer een aantal maanden geleden een rapport in handen geduwd van rond de zevenhonderd pagina’s. Waarin, zo bleek Gerard van Wijk al snel, vooral dingen in stonden ‘die we al lang wisten’. Jammer genoeg ontbraken nou juist de concrete aanbevelingen waar het om te doen was geweest. ‘We hebben gezegd dat zo’n rapport in Nederland door niemand wordt gelezen’, bromt hij. ‘Daar waren ze niet blij mee.’ Nog een geluk dat het rapport, volgens de Zoetermeerse PvdA-wethouder Gemma Smid-Marsman, ‘ons maar vijfduizend euro heeft gekost’.
Ook een bejaarde Nederlandse bloemendeskundige krijgt de wind van voren. De gepensioneerde bloemenkweker was er op het laatste moment bijgehaald door Ronald van der Hijden. Maar de man bleek vooral het evangelie van de biologische teelt te prediken. Dat is niet waar de kleine boeren in onzekere tijden mee moeten beginnen, oordeelt Zoetermeer. ‘Als dat een keer misgaat,’ bromt Gerard, ‘hebben de mensen een jaar lang geen inkomen.’
Cuculmeca
Met een budget dat groter is dan dat van de gemeente is de lokale ontwikkelingsorganisatie Cuculmeca in Jinotega een belangrijke speler. De niet-gouvernementele organisatie bestaat bijna vijftien jaar en wordt gerund door de Duitse Rita Muckenhirn. Zoetermeer werkt nauw met Cuculmeca samen voor allerlei lokale projecten. We zullen er tijdens het bezoek een heleboel zien, zoals de biologische boerencoöperatie La Fundadora, waar vrijwilliger Arnold Hopman zijn cheque van ruim 8000 ingezamelde euro’s mag komen afleveren voor de aanleg van moestuintjes voor de kinderen.
Rijswijk en Condega
Het blijft vreemd dat elke gemeente er zo haar eigen aanpak en visie op na houdt. Iedereen doet wat hem of haar goeddunkt. ‘Dit is geen stedenband, dit is ontwikkelingshulp,’ zegt de Rijswijkse ambtenaar J.C. de Beer over de relatie van zijn Rijswijk met Condega. ‘En die hulp is hard nodig!’ Maar welke hulp is effectief en duurzaam, en welke minder? Of is alles wel goed?
Rita Muckenhirn van Cuculmeca heeft alle soorten hulporganisaties al zien voorbijkomen. Van de super commercieel denkende Amerikaanse hulporganisatie USAID, die ergens heel veel geld in pompt en dan na drie, vier jaar vertrekt, tot de piepkleine geldgevers die tot op de cent nauwkeurig willen weten wat er gebeurt. Zoals Zoetermeer.
Wat werkt nou het beste? Welke vorm van hulpverlening sluit het beste aan bij de noden van de Nicaraguanen? De Amerikaanse methode ontmoet wel eens weerstand, legt Rita uit, omdat die niet erg duurzaam is. Maar aan de andere kant brengen ze wel érg veel geld mee. En anderzijds zijn de langdurige vertrouwensrelaties zoals de stedenbanden die hebben, natuurlijk prettiger werken maar misschien soms wel érg kleinschalig.
Tenslotte de hamvraag: waar hebben de Nicaraguanen nou het meeste aan? Dat is een lastige, waar ze even over moet nadenken. ‘Ach,’ zegt ze dan, ‘uiteindelijk zijn ze blij met alle soorten hulp. De mensen hier zullen nooit nee zeggen.’
Link naar de website van Website Landelijk Beraad Stedenbanden Nederland-Nicaragua.
Dit artikel maakt deel uit van mijn journalistieke archief over globalisering en internationale samenwerking. Bekijk hier meer buitenlandse reportages.
This work is licensed under CC BY-NC 4.0