(2008, OnzeWereld)
Door John Verhoeven
VOORAF:
Op zoek naar de meest effectieve oplossing voor de armoede in de wereld: dat was de opdracht voor liefst negen teams van experts in de sector armoedebestrijding. Ze kregen die opdracht in het kader van het 50-jarige bestaan van het maandblad OnzeWereld, gevierd in 2007.
De negen teams maakten een presentatie en schreven een diepgravend artikel voor het jubileumnummer van OnzeWereld. Tijdens het jubileumfeest in de Westergasfabriek in Amsterdam werd de winnaar gekozen: het team ‘eerlijke handel’ ging er met de hoofdprijs vandoor.
Met dit team gingen we vervolgens een week naar Tanzania, om daar met eigen ogen te kunnen zien hoe hun ‘beste oplossing’ in de praktijk van alledag uit de verf komt. We bezochten onder meer de coöperatieve melkfabriek Tanga Dairy in de stad Tanga, en hielden daar een week lang dit blog bij dat in juni 2008 verscheen op de inmiddels verdwenen website van het tijdschrift onzeWereld.
(2025, J.V.)
Dag 1, vrijdag 14 maart
Naar Tanzania – op zoek naar de sleutel tot welvaart
Het is in Dar es Salaam nog heet, als ik vrijdagavond laat aankom. De geur is vertrouwd, de klamme mengeling van stof, diesel en een vaag tropische geur van vochtige vegetatie en bloeiende bloemen, die je in alle grote steden van arme landen tegemoet komt.
De Tanzaniaanse hoofdstad is schoner en opgeruimder dan ik had verwacht, en bij het verlaten van het vliegveld ontbreken de traditionele schermutselingen met gretige taxichauffeurs. Hier loodst een vriendelijke man me naar een lange tafel waar een groepje mannen rondhangt, chauffeurs wachtend op hun ritje. De man met nummertje 21 in de hand, een groen schildje met sleutelhanger, loopt met me mee. Hij is aan de beurt.
In het hotel tref ik de mensen waar het deze week om gaat: Stefan Verwer, Mijke Elbers en Thomas Hurkxkens. Stefan en Mijke zijn van het team dat vorig jaar september (2007) de winnaar werd van het jubileumevenement, de wedstrijd ‘9oplossingen’, onderdeel van het geweldige feest dat we met lezers van onzeWereld in de Westergasfabriek gaven. Mijke Elbers, de teamcaptain, werkt bij de Evert Vermeer Stichting (verbonden aan de PvdA), en Stefan is directeur van het mediabedrijf LokaalMondiaal.
Met hun overige teamleden maakten ze een essay en een presentatie waarin werd uitgelegd dat ‘rechtvaardige wereldhandel’ de sleutel is tot welvaart, kortom de oplossing voor de armoede in de wereld. Dat verhaal won het bij de lezers op het feest, die hun stem mochten uitbrengen. De hoofdprijs, een reportage in onzeWereld die laat zien hoe de winnende oplossing in de praktijk werkt, voert ons naar Tanzania, naar de stad Tanga en regio, om precies te zijn.
“We hadden ook naar Tonga gekund”, zegt Stefan met zijn typische grijns. “Bij de laatste WTO-onderhandelingen werd Tonga lid van de WTO, de president stond er gewoon bij te huilen. Ik wilde weten waarom die man staat te huilen bij het lidmaatschap van een club die open markten nastreeft en waar mondiaal zoveel kritiek op is.”
Maar in Tanga deed Stefan eind vorige eeuw drie maanden onderzoek naar de rol van de import van goedkope merkpoeder op de positie van lokale veehouders.
Zijn rapport leidde, onder meer, uiteindelijk tot een importheffing op melkpoeder, en sindsdien gaat het de veehouders hier een stuk beter. Daar speelt een bedrijf dat Tanga Dairy heet, een centrale rol in, en bij dat bedrijf speelt een Fries met de naam Lut Zylstra een centrale rol.
Het werd dus Tanga, niet Tonga.
Dag 2, zaterdag 15 maart
Hutjes en de baobab, het oerbeeld van Afrika
De weg naar Tanga is vanuit Dar es Salaam heel goed te doen, een tweebaans asfaltweg die tussen het tropische groen van palmen, varens en bomen doorslingert, langs tientallen dorpjes, van roodlemen hutten met rieten daken, soms met stenen muren en roestige golfplaten dak, onder palmen, en de incidentele dikke, naar boven smaller wordende baobab boom: het oerbeeld van Afrika.
Er zijn fietsers met allerlei bepakkingen, van knalgele jerrycans tot enorme takkenbossen stookhout, zakken steenkool, alles wat op een bagagedrager past en meer. En er lopen veel vrouwen met allerlei dingen op hun hoofd. Ik zie er een met een grote koelbox. Leeg of vol, ik weet het niet, maar het lijkt me niet eenvoudig.
In de eerste vijftig kilometer buiten Dar es Salaam zijn zeker een half dozijn grote benzinestations in aanbouw. Wat dat zegt over groeiende economie en stijgende welvaart weet ik nog niet, maar het moet iets betekenen.
Op de markten op de knooppunten van wegen zitten vrouwen achter keurig gestapelde tomaten, kokosnoten, en gifgroene sinaasappels die zuur en nogal bitter smaken. Alles is groen en vruchtbaar, maar toch is het, hier, half maart, het einde van de droge tijd. Het is drukkend heet, de hemel is bewolkt, de regentijd is aangebroken, de druppels kunnen nu elke dag vallen.
In de omgeving van Tanga zien we voor het eerst grote plantages met keurige rijen stekelige planten. Het zijn de planten waarmee sisaltouw wordt gemaakt.
In Tanga, een groot en zo te zien redelijk welvarend kuststadje op ruim 400 kilometer noordelijk van de hoofdstad, rijden we meteen door naar het hotel. Dat blijkt pal aan de Indische oceaan te liggen, vlak naast het strandje met het Indische restaurantje waar Stefan het al die tijd dromerig over heeft gehad. Het ‘Mkonge Hotel’ dateert nog uit koloniale tijden, en was eens de favoriete hangout voor de plantagehouders die hier rijk werden van het ‘witte goud’ van Tanga, de sisalproductie. “Mkonge’ is het Kiswahili-woord voor sisal. Dit is een goede plaats voor prijswinnaars, constateren we aan de bar, bij een halve liter koele ‘Kilimanjaro’ pils.
Dag 3, Zondag 16 maart
Tanga Dairy is weer hot
Lut Zylstra is een onverstoorbare Fries die hier ruim twintig jaar werkt. Hij is de drijvende kracht achter de melkcoöperatie. Lut heeft veel initiatieven van hulporganisaties zien komen en –vooral ook – weer zien gaan.
De coöperatie heeft goede tijden gekend en slechte, soms zag het ernaar uit dat er een einde zou komen aan de Nederlandse inbreng. Dan bedacht Lut wel weer iets, zoals bijvoorbeeld een investering door Nederlandse boeren. Over het waarom van zijn werk is hij nogal zwijgzaam. Dan zegt Lut dingen als “Ik wil dit, blijkbaar’, en, naar zijn voorbeeld John Wayne: “ a man’s gotta do what a man’s gotta do’.
Anno 2008 is Tanga Dairy weer helemaal ‘hot’ bij de ontwikkelingssector van Nederland, er is net een fabriekspand gekocht voor de groeiende melkfabriek, en de coöperatie bloeit dankzij de inbreng van allerlei organisaties als Farm Friends (een club bevriende Friese boeren) en de D.O.B. stichting (De Oude Beuk, een privé-stichting van de familie die de winkelketen Kruitvat bezit).
We bezoeken een paar boeren in de regio Tanga, en zien hoe de koeien zijn gehuisvest, hoe ze worden gemolken (twee keer per dag, met de hand), en hoe de melk naar de gekoelde verzamelpunten worden gebracht (in een emmer met deksel, achter op de fiets).
Opfokboerderij voor koeien
Tegen de avond gaan we nog langs bij de opfokboerderij die deel uitmaakt van het programma, een bedrijf op ruim 200 hectaren omheinde grond op een half uur rijden van Tanga in een wijds, glooiend savanneachtig landschap met verspreide bomen, een enkele baobab en ruim 350 koeien, een kruising van Fries bont en lokaal. De koeien groeien hier op, gaan elke week in soort open doorloopstal in bad (de ‘cattle dip’ genaamd), om ziekten door tekenbeet te voorkomen. En ze worden hier ook kunstmatig geïnsemineerd met Nederlands stierenzaad van topkwaliteit.
Daarna worden ze verkocht aan lokale boeren, of eigenlijk ‘geleast’, met geleend geld van Farm Friends, wat met de melkopbrengst weer wordt terugbetaald. Na deze dag weet ik meer over koeien dan ooit. Terwijl de avond valt zitten we met Lut, de farmmanager Dorothy en een toevallig passerende Nederlandse kennis van Lut op een paar hooibalen in het gras bij de kraal waar de koeien in zijn gedreven, naast een koelbox met fris en biertjes.
Lut vertelt hoe Dorothy erg goed is in haar werk, en hoe ze met haar blote handen, zonder plastic handschoen aan, een drachtige koe rectaal kan penetreren en diep in het koeienlichaam kan voelen, bij de mond van de baarmoeder, of het beest drachtig is. Dat beeld laat me voorlopig niet meer los.
Onder de open hemel, met een koel briesje en een biertje in de hand praten we over kunstmatige inseminatie, politiek, Mansholt, Joran van der Sloot en nog wat dingen.
Ik wil voor het donker naar het hotel om aan dit blog te werken, maar uiteindelijk blijven we praten tot de zon donkerrood is ondergegaan, en we onder de sterrenhemel zitten, bij het geluid van krekels en omringd door een duisternis die ik lang niet meer heb gezien.
Dag 4, Maandag 17 maart
Melk, het witte goud (1)
We zijn hier in Tanga, Tanzania, om –een beetje overdreven gesteld misschien, maar toch — het bewijs te vinden dat ‘eerlijke wereldhandel’ de beste oplossing is om een einde te maken aan de armoede in de wereld. Waar begin je bij zo’n speurtocht?
Om het allemaal niet te ingewikkeld te maken beginnen we maar gewoon bij het begin. We gaan op bezoek bij de melkcoöperatie Tanga Dairy, opgezet met Nederlands geld in 1995. Tien jaar eerder waren Nederlanders hier al bezig met het stimuleren van melkveehouderij. De melkfabriek met coöperatie gaf de boeren iets ongekends: een vaste afzetmarkt (hun eigen melkfabriek) en gegarandeerde prijzen.
Ruim tien jaar later zijn de zwartbonte melkkoeien en het logo van Tanga Fresh overal terug te vinden. ‘Iemand die een nieuwe inkomstenbron zoekt denkt al snel aan koeien’, zegt George Sembony, de plaatselijke correspondent van de landelijke krant The Citizen. “Zelfs de Wadigo willen nu wel koeien’.
Deze mannen van de lokale stam van Tanga liggen, volgens George, het liefst in de schaduw te wachten op betere tijden. De mensen die wij deze week met koeien in de weer hebben gezien zijn geen Wadigo. Maar de Wadigo zijn niet gek en zien de stijgende welvaart van de anderen.
Sisal, niet langer het witte goud
‘Vroeger noemden ze de sisal het witte goud van Tanga’, zegt Alnoor Husein, de energieke kleine managing director van de melkfabriek Tanga Fresh, in zijn kantoorcontainer die naast het melkfabriekje tweehoog is gestapeld. ‘Nu is de melk het witte goud’.
Zijn bedrijf haalde in 2007 7,9 miljoen liter melk op en betaalde de deelnemende boeren daarvoor 2,8 miljard Tanzaniaanse shilling, ruim 2,8 miljoen dollar.
Zeker weten dat de melkcoöperatie een stevige rol speelt in de lokale welvaartsgroei, zeggen Alnoor, Lut, de boeren zelf en eigenlijk dus iedereen. Maar dat was eigenlijk de vraag niet. De vraag was in hoeverre het idee van ‘eerlijke wereldhandel’ de sleutel is geweest in dit proces.
Toen Stefan in 1999 hier zijn onderzoek deed was de markt voor verse melk totaal verziekt vanwege de import van spotgoedkope poedermelk, gemaakt uit een enorme Europese melkplas. Na de oprichting van de melkfabriek in 1995 duurde het nog jaren voordat de melk uit Tanga de afzetmarkt in Dar es Salaam wist te bereiken en niet meer, zoals dat toen nog wel eens ging, hoefde te worden weggespoeld in de Indische Oceaan. Pas toen de melkpoeder, begin 2000, bijna zestig procent duurder werd vanwege nieuwe importheffingen, ging het snel. Maar dat moet nog wel even hard bewezen worden, natuurlijk, omwille van ons onderzoekje.
Dag 5, Dinsdag 18 maart
Onderweg in Tanga (1)
Gretig stapt hij op me af, als ik in een straat van Tanga van het afgebrokkelde trottoir af stap en een foto maak van de afbeelding op de gevel van de ‘Christ in me’ Salon.
Charles is een gezette man met een keurig blauw overhemd en een donkere nette broek die hoog en strak over zijn aanzienlijke achterwerk is getrokken. “Are you a christian too?’ wil hij weten. Het antwoord bevalt hem.
Wat ik van de naam vindt van de schoonheidssalon? Die heeft zijn vrouw bedacht. Christenen en moslims kunnen het hier in Tanga heel goed met elkaar vinden, legt Charles uit. In Tanga is de verhouding ongeveer 60-40, denkt hij, zestig procent christenen en veertig procent moslims. In heel Tanzania is dat misschien wel 70-30, schat hij. Maar alles gaat heel goed hier, de mensen zijn vreedzaam naar elkaar toe, er zijn geen problemen, zegt hij. Er klinkt overredingskracht in zijn stem, maar ik meen ook een zekere opluchting te horen.
Niks bijzonders in Tanga
Als de bestuurders van Tanga ooit een gooi willen gaan doen naar de buitenlandse toeristendollar, gaan ze het nog moeilijk krijgen. De stad is niet echt klein, met ruim 240.000 inwoners, maar er is eigenlijk niks bijzonders te zien. Of het moet de spectaculaire Indische Oceaan zijn, die hier doodkalm, blauwgroen en zeer klantvriendelijk, elke dag onder vrijwel dezelfde omstandigheden verkoeling biedt aan vooral mensen uit de buurt.
Elke dag zo tegen een uur of vier, half vijf betaalt een handjevol mensen de vijftig cent voor het strandje vlak naast het hotel. Het is ook de plaats waar elke middag rond een uur of vijf de lokale jeugd zich verzamelt om een pot te voetballen op het stevige strandzand tussen de waterlijn en de bomen op het terras bij het kleine eettentje, dat niet meer is dan een kiosk met een paar tafels en stoelen en bankjes in de schaduw. Loom bekeken door wat mannen, en gezinnetjes met gesluierde vrouwen die hier met hun kinderen verpozing zoeken. Alleen de man van het kioskje zorgt voor lawaai met zijn draagbare geluidsinstallatie die reggae en tamelijk harde Amerikaanse rap uitbraakt.
De jongens spelen goed, technisch voetbal, het gaat er serieus aan toe, en scoren is zo eenvoudig nog niet. De doelmannen – duidelijk onderaan de pikorde bij dit spel – staan tussen twee stokken die een meter of twee van elkaar in het zand zijn gestoken. De schaarse doelpunten zijn dan ook juweeltjes van techniek. Bij penalty’s moeten de doelmannen stokstijf blijven stilstaan, terwijl een speler probeert de bal tussen de palen en naast de man te schieten. Dat klinkt nog eenvoudiger dan het is.
De stad Tanga ligt in het noorden van Tanzania, aan de Indische Oceaan. De weinige toeristen die hier komen zijn op doorreis naar het naburige Mombasa, net over de noordelijke grens in Kenia, een toeristenhemel in het ‘all inclusive’-segment. De andere ‘mzungus’ (blanken) zijn op weg naar Kilimanjaro, hier een paar honderd kilometer vandaan, of ze zijn er net geweest. Of ze zijn hier gewoon toevallig, net als wij, eigenlijk.
Onderweg hier naar toe ben ik begonnen aan het vuistdikke Wat is de Wat van schrijver Dave Eggers, een autobiografie van de Zuid-Soedanese christelijke Dinka-jongen Valentino Achak Deng, op de vlucht voor de Arabische moslimrebellen van de janjaweed. Ik ben pas halverwege de helletocht van Deng, de rest zal moeten wachten tot de terugreis. Maar de wereld van Deng lijkt hier in deze Oostafrikaanse stad minstens even ver weg als in Utrecht.
Dag 6, woensdag 19 maart
Onderweg in Tanga (2)
De dala-dala, een van de vele lokale taxibusjes die vaste routes rijden die op de zijkanten van de geblutste auto’s staan te lezen, brengt ons voor een paar dubbeltjes naar het stadcentrum.
Het is er rustiger dan ik had verwacht van een Afrikaanse stad met zeker 200.000 inwoners: weinig autoverkeer, nauwelijks mensen op straat. Iedereen mijdt de hitte. Onder bomen en in portiekjes langs de brokkelige, hoge cementen trottoirs, zitten vooral mannen. Er wordt wat gekletst, de meesten lijken weinig concrete plannen te hebben voor die dag.
Mijke spreekt redelijk wat Kiswahili, en dat blijkt een sterke troef en soms ook wel een soort geheim wapen. Van haar weet ik dat we overal commentaar oproepen, maar nergens vervelend, eerder een kwestie van verrassing en een zekere zeldzaamheid. En niemand valt ons lastig, ook al een betrekkelijk nieuwe ervaring in een Afrikaanse stad.
Twee fietstaxi-jongens brengen ons dan voor een halve dollar naar de rand van de stad, bij een drukke groentemarkt aan de rand van een naburige wijk. Het is een harde zit. De bagagedragers zijn kaal, hoogstens voorzien van een stuk karton.
Tweedehands schoenen
Op de textielmarkt er vlakbij zien we onder de gespannen zeilen die de zon weg moeten houden, vooral veel nieuwe, kleurige kledij.
Aan de rand zijn de voortbrengselen van onze westerse geefcultuur op een aantal hopen gegooid: duizenden tweedehands schoenen, allemaal keurig zwart gepoetst, heel veel oude kleren, een paar bergen knuffels.
‘Je kunt hier voor vijf dollar je hele familie in de kleren steken’, had Lut Zylstra ons verteld. Zo is het. De westerse weggeefspullen zien er armetierig uit in deze omgeving. In de berg knuffels ontwaar ik een grote Ernie, en een enorme aap. Het is een ‘Mary Meyer Black Bear’ uit Vermont, USA. ‘My name is Baby Bart Black Bear’, meldt het labeltje.
Op de weg terug drinken we een flesje Fanta bij een kiosk, naast twee tanige Maasai jongens. Ze zien er, in hun kleurige rode gewaden, hun stok, en met hun haar zorgvuldig gevlochten, zowel vrouwelijk als stoer uit.
Dag 7, donderdag 20 maart
Melk, het witte goud (2)
Enkele keren deze week schuift Lut Zylstra bij ons aan. Hij kent iedereen hier, en iedereen kent hem.
‘Mister Loet’ is de drijvende kracht achter de melkcoöperatie Tanga Dairy en de hele keten die eromheen hangt: de opfokboerderij voor de melkkoeien, de Friese Farm Friends die de leningen verstrekken voor het ‘leasen’ van de koeien, de boerencoöperatie, en de melkfabriek zelf.
De supermarkt heeft meer gedaan heeft voor de positie van de vrouw in dit gebied dan welk genderprogram dan ook, denkt Lut. ‘Zo’n supermarkt is een teken van welvaart, dus de mannen gingen mee, met de boodschappenkar voor hun buik. Kijken wat er allemaal te koop was. Boodschappen doen werd ineens een serieuze aangelegenheid. Voor het eerst waren er echte gesprekken tussen man en vrouw over het huishouden.’
Iets dergelijks geldt ook de mobiele telefoon. Het mobieltje heeft de omgangsvormen in Afrika fundamenteel veranderd. Vroeger was het: hoe is het met je werk, hoe is het met je kinderen? De koeien? Het mobieltje heeft de Afrikanen er voor het eerst echt van doordrongen dat ‘time is money’.
Lut heeft een heleboel te vertellen over zijn ruim twintig jaar in dit gebied, maar kort samengevat komt het hierop neer: als je iets wilt ontwikkelen is dat iets van de lange termijn, niet van de laatste mode en niet van de organisaties die na vijf jaar wel weer eens wat anders willen.
Landbouwprojecten zijn weer in
Met een glimlach om de mond stelt hij vast dat het soort landbouwprojecten als deze coöperatie momenteel weer kunnen rekenen op ruime financiële steun, ook van de Nederlandse overheid. Maar dat kan ook zo weer veranderen, weet hij uit ervaring. Dat hij hier nog zit heeft meer te maken met zijn eigen koppigheid en doorzettingsvermogen dan met een gedegen strategische visie. Dat kun je ook ‘voortschrijdend inzicht’ noemen, als je wilt.
En wat de heffing op melkpoeder betreft: zeker heeft dat verschil gemaakt, in het begin, denkt hij. Maar nu niet meer. Met de oplopende landbouwprijzen en de stijgende vraag wordt de melk alleen maar duurder, het is geen product meer voor dumping ver onder de kostprijs.
In de luttele dagen dat ik hier ben ontwikkel ik een lichte maar hardnekkige verslaving voor de Tanga Fresh yoghurt in bekertjes, en voor ‘mtindi’, de vloeibare, zachte drinkyoghurt uit een pastic zakje. Met prijzen van 300 en 400 TS, zo’n veertig dollarcent per stuk, zeker geen producten voor de armen.
‘I love Tanzania’
Op zoek naar de harde cijfers, belanden we aan de lange vergadertafel met wit plastic meubilair en een tafelkleed waarop ‘I love Tanzania’ staat, bij Charles Hozza, secretaris bij de Kamer van Koophandel van Tanga.
Hij heeft zijn imposante collega Paul Bwoki meegenomen, maar nee, ook zij hebben geen enkel cijfer over de relatie tussen de importheffing op poedermelk, en de opkomst van de melkboeren. Ik krijg het idee dat veel mensen die we spreken zelfs geen weet hebben van die heffingen, sommigen denken dat er een ban is op poedermelk, anderen denken dat de heffing alweer is afgeschaft. En niemand weet of dat onderzoek überhaupt wel bestaat.
We worden doorverwezen naar Peter S. Mbangulila, een ronde, diepzwarte man, ambtenaar bij de regionale handelsvereniging en gespecialiseerd in zowel handel, industrie, en markten. Peter bezit een houten, handgemaakt naambord dat zo ongeveer de hele breedte van zijn bureau beslaat. Aan de achterkant fungeert het als een enorme papercliphouder.
Hij verwacht problemen. ‘Jullie producten worden allemaal gesubsidieerd’, zegt hij, ‘en wij mogen dat niet meer.’ Het is allemaal moeilijk. ’Jullie willen alleen nog organische producten van ons. Terwijl jullie ons wel heel goedkope kunstmest sturen’.
Het duurt een vol kwartier voor ik me realiseer wat ik hier in dit kantoortje mis: een computer.
‘Straks heb ik e-mail’
Voor de cijfers moeten we in de hoofdstad zijn, bij de universiteit, denkt Peter. We vertrekken met de belofte dat we hem op de hoogte houden.
‘Straks heb ik e-mail’, belooft hij. ‘De aanvraag voor de computer ligt al bij het ministerie’.
Volgens Alnoor Husein was de regionale ontwikkeling ondenkbaar geweest zonder de verbetering van de tweebaans asfaltweg naar Dar es Salaam waar dagelijks zijn vrachtwagens met melk over rijden. En zonder de strakke organisatie en goede spullen van de melkfabriek zou Tanga Dairy nooit marktleider zijn geworden van de hele Tanzaniaanse markt, met dank aan een doorzetter als Lut Zylstra.
En zonder de financiële steun vanuit Nederland had de melkfabriek nooit de eerste jaren overleefd. Dat de Tanzanianen eigenlijk niet zulke versemelk-drinkers zijn, wordt dan ineens een klein detail. Maar een ding is zeker, zegt George Sembony: ‘zonder goede cijfers weet je nooit hoe iets gaat. Zonder cijfers is er geen ontwikkeling.’
(EINDE)
Dit artikel maakt deel uit van mijn journalistieke archief over globalisering en internationale samenwerking. Bekijk hier meer buitenlandse reportages.
This work is licensed under CC BY-NC 4.0