john verhoeven content strategie

Vijftig jaar Novib: terug naar Soedan. El Huda is niet meer arm genoeg (reportage)

OnzeWereld, februari 2006

Het was een van de eerste projecten waarmee de Novib vijftig jaar geleden van start ging: het modeldorp El Huda in Soedan, met veeverbeteringsstation. OnzeWereld ging terug en zag dat, anno 2006, concrete hulp aan gewone mensen vaak is ingeruild voor abstracte doelen.

Door John Verhoeven

Aan het einde van de lange autorit in een Toyotajeep heeft de Soedanese chauffeur nog een vraag. Zou ik hem niet aan een baantje kunnen helpen bij een hulporganisatie? Op de achterbank luistert Ibrahim mee en vertaalt. Bij alle hulporganisaties hier is Engels de voertaal; een chauffeur die alleen Arabisch spreekt, is veroordeeld tot landgenoten als klant. Dat betekent: werken voor een veel lager salaris.

Terug in Khartoem reken ik af met mijn chauffeur: 120 dollar, inclusief de auto. En tolk Ibrahim? Ik had 125 dollar in gedachten. Maar Ibrahim wil eerlijk tegen me zijn, we zijn nu toch vrienden? De Verenigde Naties betalen hem 400 dollar per dag, zegt hij. De vele hulporganisaties betalen wat minder, maar kennelijk nog steeds heel wat meer dan het bedrag dat ik in gedachten had. We maken het af op 150 dollar. Het laat ons allebei met een ontevreden gevoel achter.

Novib bestaat vijftig jaar. In Soedan staat het project waar het allemaal mee begon: de bouw van een veeverbeteringsstation. We reizen terug naar het begin van Novib. Het is meteen een mooi moment om eens te zien hoe er anno 2006 hulp wordt verleend. Ik praat met mensen die de sector van haver tot gort kennen, en trek een paar dagen op met Karin van Dijk, Novibs programmamedewerker voor Soedan.

In Soedan heeft de internationale hulpgemeenschap zo haar eigen economie gecreëerd. Hulpverleners rijden in grote nieuwe auto’s, eten hun pizza’s en drinken hun dubbele espresso’s in leuke, westerse restaurants. Ze verblijven in de schaarse hotels die enigszins aan westerse normen voldoen en daarom al gauw meer dan 100 dollar per nacht kosten. Toeristen zijn hier niet, hulpindustrie des te meer, na twintig jaar oorlog. Wie kan, probeert zich in deze ‘hulpeconomie’ te wurmen, zoals mijn chauffeur en mijn tolk. De rest heeft pech gehad.

Soedan is een van Novib’s kernlanden

In Soedan is voor een hulporganisatie veel te doen. Er is behoefte aan noodhulp in het oosten, zuiden en westen.
Er zijn zes miljoen Soedanezen op de vlucht binnen hun eigen land, en in het westelijke Darfur, twee keer zo groot als Frankrijk, worden twee miljoen mensen in leven gehouden met buitenlandse hulp.
In het oosten dreigen nieuwe vluchtelingenstromen, nu de strijd tussen Ethiopië en Eritrea weer oplaait. Intussen wil zuidelijk Soedan afscheiden. Er is daar olie gevonden, de rijkdom lokt, en de voorlopige regering is al geïnstalleerd. Intussen houdt de regering in Khartoem de internationale hulpgemeenschap in een ijzeren greep: niemand kan iets ondernemen zonder instemming van de overheid. Iets te kritische hulpverleners worden het land uitgezet. Hulporganisaties betalen heffingen aan het regime voor alles wat ze hier doen. Voor elke waterput die wordt aangelegd, eist het regime haar deel. Zo gaat het al ruim twintig jaar.

Werk zat dus voor de Novib, die buiten de eigen grenzen als Oxfam Netherlands opereert. Voorafgaand aan deze reis vroeg ik een overzicht van alle Novib-activiteiten in het land en krijg per kerende post 45 dichtbedrukte A-viertjes toegestuurd.

Soedan is, zo begrijp ik, een van de achttien kernlanden van Novib. Dat betekent dat de organisatie hier alle vijf van haar doelstellingen nastreeft. Elke doelstelling bestrijkt, in al zijn complexiteit, al zowat het hele terrein van het bestaan. Een hele klus. Waar moet je beginnen?

In de koloniale luxe van het Grand Holiday Villa Hotel, pal aan de Blauwe Nijl, houdt Karin van Dijk deze week een bijeenkomst met de partnerorganisaties. Hulp anno 2006 is vooral veel vergaderen, zo wordt duidelijk. In deze prettige omgeving (‘we zien de mensen eens per jaar, dan willen we ze ook goed ontvangen’) voelen de Soedanese vertegenwoordigers zich duidelijk op hun gemak. Op tafel ligt het meerjarenplan tot 2010. Karin van Dijk heeft voorstellen geformuleerd, de ‘counterparts’ kunnen afkeuren, aanvullen, wijzigen. Maar niet meebeslissen: Karin neemt die adviezen mee terug naar Den Haag, daar worden de knopen doorgehakt. De vergadering duurt de hele dag, en wordt geleid door een ingehuurde Soedanese moderator, een alerte dame die geroutineerd het jargon hanteert en voor de klus rond de 150 dollar krijgt.

Novib maakt zich hier heel breed

Waarom maakt Novib zich zo breed? Die vijf doelen zijn niet alleen ambitieus, maar ook nogal abstract. Is het niet beter om, net als een modern bedrijf, je energie en vakkennis te steken in een paar dingen waar je dan ook de beste in wilt zijn?

De vraag is bij Novib al vaker aan de orde geweest, begrijp ik uit Van Dijks reactie. ‘Alles hangt met alles samen’, zegt ze. ‘Mensenrechten, emancipatie, toegang tot onderwijs, gezondheidszorg, toegang tot werk, inkomen. Dus proberen we dat in samenhang te benaderen. Alleen noodhulp is echt een ander verhaal, dat laten we over aan de specialisten van de Novib.’ Het is een bewuste keuze, wil ze maar zeggen. Elke organisatie doet het op zijn manier: de meesten leggen zich toe op een enkel thema, zoals onderwijs, of op een bepaalde groep, zoals kinderen. Novib stelt per regio een bonte mix samen van heel diverse projecten. Welke aanpak het beste werkt, is lastig te zeggen. Onderzoek vergelijkt al heel snel appels met peren, en de omstandigheden zijn telkens weer anders. De keuze is dus vooral ideologisch, lijkt het.

Thuis bij Novib in Den Haag zitten alle specialismen bij elkaar. Maar hier in Soedan is het best lastig om ‘alles te zijn voor iedereen’, erkent Karin ruiterlijk. Zelf heeft ze bijvoorbeeld, als landbouw- en milieudeskundige, minder kennis van mensenrechten. ‘Daar ben ik ook eerlijk in’, zegt ze. ‘Dan vraag ik de organisatie waarmee we werken om een advies en haal ik er externe deskundigheid bij.’

Tijd om veel counterparts op deze manier te begeleiden is er niet. Daarom werkt Novib vooral met grotere, ervaren organisaties. De taak van Karin bestaat vooral uit overleg, het inschakelen van expertise en het evalueren van het werk.

Van controle op de bestedingen komt nauwelijks iets terecht

Zelfs alleen dat valt nog helemaal niet mee. Van een echte, fysieke controle van de vele projecten komt het nauwelijks. In de twee weken die Karin deze keer hier is, kan ze maar twee ngo’s daadwerkelijk ’thuis’ opzoeken: eentje in Gedaref, op zes uur met de bus vanuit Khartoem, en eentje in Kosti, daar vlakbij. In Gedaref doet Novib zaken met een verzameling van negen kleine ngo’s. Daar stond een ontmoeting met twee mensen op het programma, die haar projecten op het gebied van microkrediet, onderwijs en gezondheidszorg hebben laten zien.

‘Ze laten me natuurlijk niet de slechtste projecten zien’, begrijpt Karin ook wel.

Drie keer per jaar probeert ze haar tweewekelijkse verblijf zo efficiënt mogelijk in te richten. Minstens eens per jaar gaat Karin naar het zuiden. Daar werkt ze met weer heel andere organisaties. Soedan, zeventig keer zo groot als Nederland, is erg slecht te bereizen. Als je de Novib-slogan “Hoe groot is je wereld?” toepast op het werk van Novibs eigen Karin van Dijk, ligt het antwoord voor de hand: ‘Een beetje te groot, misschien.’

Een stevige papierstroom, experts van buiten en evaluaties proberen dat gebrek aan contact ‘op de grond’ te compenseren. De lokale partners brengen elk jaar verslag uit. Daarnaast beoordeelt een onafhankelijke accountant (‘dus niet de broer van de directeur’) jaarlijks de volledige boekhouding. ‘We willen zeker weten dat het salaris van de directeur niet drie keer wordt gedeclareerd.’

Aan het einde van een polderachtige vergaderdag in het Grand Holiday Villa Hotel stellen de counterparts hun eigen wensenlijstje op. Ze willen meer aandacht voor de miljoenen binnenlandse vluchtelingen die vaak jaren in kampen bivakkeren. Idem voor de traumabehandeling van vluchtelingen. En, misschien niet verrassend: ze vragen ook meer geld voor hun eigen organisaties. ‘Vertrouwen, daar draait het om’, had Karin al eerder gezegd. ‘We zoeken goede, niet al te kleine organisaties uit, en die krijgen vervolgens ons vertrouwen.’ En Novibs geld. Een sympathiek uitgangspunt, maar vooral praktisch.

Het modeldorp El Huda bestaat nog steeds

Dan vertrekken we naar El Huda. Daar, op zo’n driehonderd kilometer ten zuiden van Khartoem in de provincie Al Gezira, begon Novib precies vijftig jaar geleden met een van haar eerste hulpprojecten. Een vergeelde OnzeWereld uit die tijd rept van een ‘vruchtbare samenwerking van Soedanese autoriteiten met Novib-experts’, waaruit een plan is gegroeid om ‘van het dorpje El Huda het administratieve centrum te maken van een streek, die, nu nog woestijn, in 1959 een eerste katoenoogst zal leveren.’ Het klinkt ambitieus: een woestijngebied van 336.000 hectaren moet worden bevloeid uit de Nijl, en ergens in de streek dient een modeldorp te verrijzen.

Dat modeldorp is El Huda. Er moet een ziekenhuis komen, een centrum voor verbetering van vee, scholen, modelhuizen, een klein ziekenhuis, en wat al niet. ‘De bevolking, vaak half nomadisch of samenwonend in dorpen van ellendige lemen hutten, zal zich aan de gewijzigde situatie moeten leren aanpassen’, meldt het stencil vastberaden. Novib zal het veeverbeteringsstation voor haar rekening nemen. ‘Speciale bekwaamheden die Nederlanders op dit gebied bezitten, kunnen de Soedanezen van groot nut zijn’, zo lezen we. Er komen stallen, een slachthuis, een melkgebouw, een demonstratieruimte, broedmachines en kippenrennen.

Wat zou er vijftig jaar later over zijn van het veestation, van de ambities, het optimisme? Na twee uur rijden over een nieuwe asfaltweg slaan we linksaf, en volgen een bandenspoor door het stoffige, zwarte zand. In de verte zijn herders met hun schapen op weg naar schaarse grazige weiden. Lukrake bosschages moeten woestijnvorming tegengaan. Na enkele anonieme nederzettinkjes van lemen hutten in het droge landschap, sporadisch afgewisseld met groene percelen, bereiken we tenslotte over de zandpaden El Huda.

Van een modeldorp is weinig te zien. Of toch wel: te midden van lemen hutjes, mét elektriciteit, staan een stuk of zes huizen van steen, met groengeschilderde houten serre, keurig in het gelid, verwaarloosd en afgebladderd, maar bewoond.

Hij is verbijsterd als hij hoort wie we zijn

In een van die huizen woont Mohammed Dhia, veearts en, jawel, de directeur van het veeverbeteringsstation dat we zoeken. Het eerste project van Novib bestáát dus nog! Dhia, een zesenveertigjarige Nubiër, is verrast, om niet te zeggen verbijsterd, als hij hoort wat we komen doen. Novib heeft zich hier na de start van het project nooit meer laten zien, begrijpen we. Maar goed, hier zijn we dan.

Het station werd in 1961 geopend. In het enige kantoortje dat nog in gebruik lijkt, hangt achter het bureau van Dhia een mooie gekalligrafeerde lijst aan de muur met de namen van al zijn voorgangers. Dhia en zijn vlijtige adjunct doen graag verslag van een halve eeuw lokale geschiedenis. Het centrum moest een verbeteringscentrum worden waar de lokale boeren hun eigen veestapel mee zouden kunnen verbeteren. Maar tien jaar later legde het centrum zich, om redenen die Dhia niet kent, toe op schapen. El Huda werd het belangrijkste schapenonderzoekscentrum van heel Soedan. Dat was niet voor niets: momenteel telt de regio ongeveer 700.000 schapen, 100.000 geiten en 2000 koeien. El Huda werd inderdaad het modeldorp uit het stencil en het onderzoekscentrum voor de regio. Nu werken er nog steeds ruim dertig mensen. De schapenteelt staat dankzij het centrum op een redelijk goed niveau, zegt de directeur.

De hulporganisaties zijn hier al lang vertrokken

Vijftig jaar na dato is de regio van El Huda redelijk welvarend. Een deel van de dorre woestenij is vruchtbaar gemaakt, er zijn kuddes schapen, er wordt sorghum verbouwd, een tropische graansoort. Nee, erkent Dhia, de omstandigheden van de mensen hier zijn niet langer ‘ellendig’ te noemen. Maar problemen zijn er wel. Uit zijn verhaal doemt het beeld op van een falende overheid die niet kan voorzien in de bescheiden middelen die hij nodig heeft om de boeren in deze streek te voorzien van goede fokdieren.

De hulporganisaties zijn hier al lang geleden vertrokken. Van Novib heeft El Huda nooit meer iets gehoord, zegt Dhia. Hij heeft laatst nog wel contact gehad met Save the Children. Die steken hun geld echter liever in het oosten van dit land, een streek waar teruggekeerde vluchtelingen worden geholpen bij het opnieuw opzetten van hun boerderijen.

Friesland Dairy Products

Al voor mijn vertrek had de zeventigjarige Rients de Boer vanuit het Friese Hardegaryp in grote lijnen hetzelfde verhaal verteld. De Fries werkte tientallen jaren in derdewereldlanden. Sinds eind 2003 heeft hij een koeienboerderij annex melkfabriek in Kenana, op zes uur rijden van Khartoem. Het veeteelt- en zuivelbedrijf, Friesland Dairy Products, is een joint venture met een grote Soedanese suikerfabriek. In Soedan, legt Rients uit, is melk een luxeproduct, de prijs is twee keer zo hoog als op de Europese markt.

De melkfabriek draait goed, heel wat Soedanese gezinnen zijn ervan afhankelijk. Wat Rients de Boer nou niet begrijpt? Dat de Nederlandse overheid en ook organisaties als Novib nooit een cent hebben willen steken in zijn joint venture. Al was minister Agnes van Ardenne twee jaar geleden nog wél zo vriendelijk geweest om het complex officieel te openen.

De Boer heeft al heel wat landbouwprojecten opgezet in arme landen: Irak, Afghanistan, Egypte, Kazachstan, nu dan in Soedan. Zijn werk resulteert in lokale werkgelegenheid, groei van welvaart, toch een duurzame vorm van ontwikkeling. En altijd zonder financiële steun. ‘Betrek het bedrijfsleven bij ontwikkelingshulp’, raadt Rients aan. ‘Eis garanties van ondernemers die geld willen. En screen die projecten goed.’ Hij besluit: Van Ardennes ministerie zou beter een poot kunnen zijn van Economische Zaken in plaats van Buitenlandse Zaken.’

‘Geen idee wat de VN hier uitvreet’

Terug in Khartoem praat ik over de situatie anno 2006 met Nederlanders bij de Verenigde Naties, met een werknemer van een groot Soedanees bedrijf en met iemand die al ruim twintig jaar infrastructurele hulpprojecten uitvoert in derdewereldlanden. In deze gemeenschap van mensen die de hulpsector als hun broekzak kennen, wordt veel gemopperd. Maar alleen anoniem; het is een kleine wereld.

‘Het Nederlandse overheidsbeleid is te veel gebaseerd op theoretische modellen’, zegt er een. ‘Alles wordt vanuit de donoren bedacht. En elke minister moet zijn eigen stempel drukken: de speerpunten worden bepaald door politieke afwegingen, niet door de behoeften van een land. Hij heeft in zijn loopbaan in een en hetzelfde land wel eens drie opeenvolgende visies op hulp moeten uitdragen. ‘Daar leidt de effectiviteit onder.”

‘Geen idee wat de Verenigde Naties hier nou precies uitvreet’, zegt een ander. ‘Behalve rondrijden in een heleboel dure auto’s. Concreet komt daar niets uit. He-le-maal niets.’

‘Nederland heeft een heel goede naam opgebouwd met tastbare projecten, zoals wegen en bruggen bouwen, dat soort dingen. Ook het bedrijfsleven stond goed aangeschreven. Dat is allemaal verdwenen’, zegt weer een ander. ‘Het waren concrete, praktische dingen, de mensen konden zien dat er wat gebeurde. Dat is weg. Nu hoor je uit de hoek van hulporganisaties en de overheid alleen dingen als ‘gender equality’, mensenrechten, goed bestuur. Allemaal gestoeld op ideologie, niet op wat de mensen hier echt nodig hebben. Je kunt best dat soort dingen uitdragen, maar dan gekoppeld aan concrete projecten. Dat gebeurt veel te weinig. We giveaways nu ons geld weg aan politici. De gewone mensen zien er bijgevolg niets meer van terug.’

Over de effectiviteit van hulp

Een weekje rondkijken in Soedan is niet voldoende om splijtende conclusies te kunnen trekken over de effectiviteit van hulp. Maar een paar dingen vallen op.

De vijf doelstellingen van Novib zijn, ieder afzonderlijk al, een wereld op zich. Wie is nog in staat op al die terreinen deskundigheid in te brengen en juiste keuzes te maken? Overal zie je voortgaande specialisering en efficiency, het bedrijfsleven voorop. Die handhaven zich als ze goed zijn in één, soms twee dingen. In de hulp, toch ook een mondiale miljardensector, moet dat proces nog grotendeels beginnen.

Ten tweede: elke Soedanees of buitenlander die hier in de hulp wil werken, wordt gescreend door de overheidsdienst HAC. Elke burger die ooit kritisch is geweest over de regering, kan zo’n baan vergeten. ‘Een schande’, zegt iemand, ‘de hulporganisaties zouden dat gewoon niet moeten pikken. Maar ze pikken het wel. ‘Een keuze’, legt Karin later uit. ‘Als we dat zouden eisen, kunnen we hier niet meer werken, dan gebeurt er niks meer en de regering zou gewoon blijven zitten.’

Ten derde. Nederland heeft vanouds een sterke reputatie op het vlak van landbouw en infrastructuur. Ook het organiseren van financiële stelsels, alles tussen microkrediet en nationale banken in, is iets waarmee Nederland al een jaartje of vierhonderd aan de top staat. Het is specifieke vakkennis die in 2006 enigszins ondergesneeuwd lijkt in het hulpbeleid, dat nu even breed is als de problematiek van armoede zelf. Waarom de Nederlandse hulp niet wat meer richten op de zaken waar we traditioneel sterk in zijn en waar het bedrijfsleven goed bij is te betrekken?

En soms komen de dingen ook zonder hulp van buiten wel goed. Als we in een grote stofwolk El Huda uitrijden, vertelt Ibrahim achteloos dat er in deze streek zopas olie is gevonden. Olie!

Mijn tolk heeft intussen zijn eigen antwoorden gevonden. Bij het afscheid stopt hij me een grote enveloppe in handen. Voor Karin van Dijk. De enveloppe is open, ik verwacht wat ambtelijke papieren en gluur even. Het is een sollicitatiebrief. Ibrahim Hamzi doet een gooi naar de vacante functie van Information Officer Soedan bij Oxfam. Gelijk heeft hij.